29/06 2007:
Démasqué der Schoonheid

door: Marlin Burkunk


Nog nooit zo vaak www.buienradar.nl  gecheckt als de vrijdagavond voor de toertocht/koers “IJsselmeer”. In mijn tweejarig bestaan als Trappist heb ik deze afstand nog niet gereden dus ik ben erg benieuwd. Altijd leuk: eerst een beetje sparen in toertochtverband tot Bolsward en dan een wedstrijdje wie het eerst thuis is. Absurde afstand ook: 260 km. Tjee: ik pak de bosatlas er nog eens bij en volg de route met mijn vinger. Wat een eind!  En dan te weten dat de profs dat elke dag rijden…
Voor het kleintje IJsselmeer van de Trappist stond ik al een keer vol goede moed op de verkeerde dag in de kou achter het CS. Verontwaardigd richtte ik mijn pijlen op de webmaster die het in mijn idee verkeerd op de website had gezet. Bleek achteraf een onterechte verdachtmaking. Ik had een A4tje op mijn bureau liggen van de nieuwjaarsborrel. De inhoud was inmiddels al drie keer veranderd. Dat krijg je nou met die ouderwetse communicatie via print. Op de website stond het correct. Om het goed te maken heb ik toen maar aangeboden om de website van de club te vernieuwen en het beheer over te nemen. Stom natuurlijk want niemand weet hoeveel werk het is en de waardering is minimaal. Maar ja, je hebt een clubhart of je hebt het niet.

Alles weten maakt niet gelukkig
Mijn hemel! Ik kijk nog eens goed op alle weersites die ik in mijn favorites heb staan. Alles weten maakt niet gelukkig. De zwarte wolkjes met zelfs hier en daar bliksemschichten logen er niet om. Wat een hondenweer… En het bleef slecht. De hele zaterdag buien. Dat betekende met een nat pak rijden. Bah. En in de middag windkracht 5. Ook dat nog. Tegen de wind in terug. Het betekende overigens ook dat er niemand alleen weg kon rijden na Bolsward. Dat dan weer wel. Dat zullen de wieltjeszuigers leuk vinden….
De volgende dag kom ik om 06.55 aan bij de pont achter het CS. Het is verrassend droog, al heeft het de hele nacht geregend. Er staan zowaar wat renners; dat moeten Trappisten zijn. Ik heb dit keer dus de juiste dag uitgekozen. Gelukkig. Nu doe ik eindelijk eens mee met de ‘IJsselmeer’.
Na het IJ overgestoken te hebben met het pontje zetten we koers naar Den Oever. Gezellig keuvelend, met een vaartje van 30 km/u, de wind schuin in de rug. Ik spreek eindelijk eens wat mensen die ik alleen via mijn website-activiteiten voor de Trappist ken. Een toertocht rijden is in die zin heel nuttig, je spreekt eens wat andere mensen dan in een wedstrijd waarbij de communicatie beperkt blijft tot basale kreten als ‘umpf’, ‘eeuu’, of ingehouden vloeken als  ‘godver…jongens, waar zijn we nou verdomme mee bezig, rij eens door’ of  ‘dit is toch geen koersen’, ‘godverdomme, overnemen’, of ‘je moet verdomme niet steeds die Van de Berg naar de kopgroep rijden’.  Nee, tijdens een toertocht kun je eens een fatsoenlijk gesprek hebben met een Trappist.
We schieten door West-Friesland; ik kom eigenlijk nooit in deze uithoek van Noord-Holland en volgens mij moet ik dat zo houden. Het enige  nadeel van het begin van deze tocht is de lage snelheid. Daar kan ik maar met moeite aan wennen. Door het ontbreken van druk op de pedalen zit ik anders op de fiets en ik krijg na een paar uur pijntjes die ik nooit heb. Maar het blijft wel een luxe leunstoel - rijden in zo’n groot peloton op je dooie akkertje. Nou begrijp ik pas waarom de profs zo makkelijk 260 km rijden. Die eerste 200 doen ze natuurlijk niks en doen de goed betaalde knechten het werk. Het is inderdaad helemaal geen slecht gevoel om de eerste 100 km zo door het landschap gezogen te worden. De hoosbuien die we op de Afsluitdijk over ons heen gestort krijgen zijn nog wel te verdragen onder die omstandigheden.

Ir. Lely wordt gepasseerd
Om half 11 passeren we het standbeeld van Ir. Lely halverwege de Afsluitdijk en in relatief korte tijd zijn we nu toch echt met de fiets in Friesland beland. Fascinerend. Nu eens niet met de auto maar op spierkracht die dijk over. Landschap aan de andere kant meteen weids; hier en daar een stolpboerderij als een enclave van beschaving in de wildernis. (Nou ja: overdrijven is ook een kunst). Ik zie op een bordje Bolsward, 5 km staan. Mooi, denk ik, genoeg ontdek-je-plekje-bespiegelingen. Het is tijd om te gaan koersen. Nu gaan we los. De dood of de gladiolen. Wie is er het eerste in Diemen? Eeuwige roem voor de winnaar. Eeuwig zonde om tweede te worden. Dat soort gedachten…ik krijg er zin in.
Maar nee:  in het centrum van Bolsward komt het peloton tot stilstand en wordt hotel Wijnberg aangedaan. In dit oubollige etablissement (eikenhouten lambrizeringen, obers in pinguïnpakken) is net een lading grijze duiven uit de Zonnebloemboot gelost. Veel koffie met taart en ouwehoeren. Nou ja, ook leuk. Maar eindelijk lijkt het dan toch echt te gaan beginnen.
Jan Maarten en ik staan buiten startklaar. Vastbesloten om meteen buiten Bolsward te demarreren. Idioot plan natuurlijk maar ja, zo zitten we nu eenmaal in elkaar. We kijken achter ons. Niemand volgt. Alle Trappisten blijven doodleuk onder de parasols staan die op het buitenterras van de Wijnberg staan opgesteld; het is namelijk weer een beetje gaan druppelen. Jezus! Zullen we dan ooit vertrekken uit dit bejaardenoord? Eindelijk komt de boel dan in beweging. Sommige renners delen wat plaagstootjes uit. Beetje versnellen en dan weer samenkomen tot een groep. Jaja, het is nu eindelijk begonnen. We zijn aan het koersen.

Op zoek naar de weg
In een mum van tijd zijn we in het centrum van Sneek. Moeizaam zoekend naar de weg naar Lemmer besef ik dat in deze rit parcourskennis een groot voordeel kan opleveren. Je kunt wegrijden, met gemak, maar dan? Die avond daarvoor had ik toch even niet alleen in de Bosatlas maar ook met het handige kaartje van Kees Bok op de website zitten scrollen: na Sneek naar beneden richting Lemmer, een paar bruggen en dan  recht naar beneden, naar de Ketelbrug. Vervolgens alleen maar een dijk langs het water naar Lelystad. Daarna wist ik het wel.
Hoe je precies door zo’n Fries plaatsje moest koersen dat was lastiger. Ik merk in Sneek dat Bert Z. de weg kent. Bert heeft ‘m al twee keer gewonnen, bedenk ik mij. Leendert P. kruipt in zijn wiel. Dat gedrag is bekend bij iedereen die bij de A. koerst. Leendert is vroeger heel erg gepest in zijn jeugd en hij schept er nu een satanisch genoegen in om iedereen die een beetje goed kan fietsen dwars te zitten. Zuigen, zuigen en dan er overheen met zijn behoorlijk vernietigende en respectabele sprintvermogen. Een fietsende vampier. Ik besluit Bert met Leendert in zijn wiel dan maar te volgen. Je moet toch wat, zonder parcourskennis in eigen land.

Een hopeloze vluchtpoging
Na Sneek zetten we, de groep is nog vrij groot (ik schat zo’n 15 renners), koers richting Lemmer. Ter hoogte van Woudsend geeft Jan Maarten gas. Ik er achteraan. Al snel rijden we met zijn tweeën door het Friese landschap, kop over kop.  Een gaatje van zo’n 100 of 150 m. voorsprong, meer is het niet. Maar de wind zit niet mee want sinds Sneek rijden we pal zuid. Het voelt helemaal niet goed, daar beneden. Jan Maarten roept in zijn bekende, aanstekelijke en oprechte naïviteit: “Prima Marlin, dit houden we wel vol tot Diemen.” Ik ben er eigenlijk niet zo zeker van maar ik wil ook geen spelbreker zijn. We zijn nu van elkaar afhankelijk. Ik kijk achterom en zie dat niemand aanstalten maakt om bij te sluiten of om ons op te eten. Het is behoorlijk ploegen tegen de wind in en ik wil na een minuutje draaien al weer van kop af. Dat is niet goed. Het was natuurlijk ook veel te vroeg om te gaan. We worden min of meer ‘gered’ door het feit dat de brug openstaat. We gaan al weer wat langzamer rijden en komen voor de slagboom tot stilstand.  Even later sluit het hele peloton lacherig weer aan. Leendert P. heeft de grootste schik. Met een satanische lach roept hij:  “God, wat vond ik het heerlijk om jullie te zien werken. Gaan jullie zo weer demarreren, jongens?” Jan Maarten en ik houden ons nu maar koest. Wie weet hoeveel bruggen er nog komen…en wie hoe lang die Pot in je wiel blijft kleven...


Inderdaad komen er nog 2 bruggen tot Lemmer. En inderdaad gaat Pot kleven. Op weg naar Emmeloord ontstaat er een vaste  kopgroep van 6: ik, Jan Maarten, Bert Z., Jan Mart E., Lukas IJ. en Leendert P. De rest van de Trappisten groeperen zich tot groepjes die wat langzamer gaan maar ook zij zullen een bewonderenswaardige prestatie leveren. Laat dit geen verhaal zijn, uitsluitend over ‘de snellen’. Iedereen die de 260 km uitrijdt is een held natuurlijk.
Met een vaartje van soms 34 km/u tegen de wind in waaieren we met zijn vijven plus een weigerachtige renner door het vlakke polderlandschap. Al snel blijkt dat Leendert P. niet wil meedraaien. Steeds als hij op kop komt dan zakt de snelheid naar 28 en schuift de tweede in de waaier over hem heen. Na wat gevloek uit de groep hoor ik hem piepen: ‘Ik zit echt stuk; ik kan niet meer.” Wat een slechte acteur, die Pot, denk ik. Denken we allemaal. Maar dat is wielrennen hè, iedereen mag en kan doen, waar hij zin in heeft. Daar zijn geen regels voor. Maar ga dan geen lulverhaal ophangen over vermoeidheid... Jan Mart spreekt wijs: “maak je niet druk jongen, de koers is nog lang…die Pot valt er wel vanaf”. Maar daar ben ik toch niet zo zeker van. Ik heb hem al heel vaak zien kleven tot het eind en dan een sprint. Het is natuurlijk de kunst om je niet op te winden over zulke zaken en je eigen koers te rijden (dat zeg ik nu achteraf) maar ik erger mij dood.

De irritaties in de groep gaan beginnen
En nu begint Bert bij mij ook nog te klagen dat ik geen vast tempo rij. Godver. Ik zit achter die Pot en ik ga echt niet direct overnemen als hij 1 seconde op kop rijdt. Dus pas ik mij aan en laat hem op kop. Ja, en dan zakt de snelheid vrij plotseling dus onder de 28. Laat je niet gek maken, gaat er door mij heen maar ik broed ook op een plan om die Pot kwijt te raken. Een schouderduwtje van de dijk? Een demarrage? Nee, het is allemaal zinloos of onder de maat. Wat is wielrennen toch een idiote sport. We zitten gevangen in elkaar.
Ik blijf drinken en probeer af en toe iets in mijn mond te proppen maar eten gaat moeilijk. We zitten op 180 km. Ik heb geen honger. Vreemd. De Ketelbrug is in zicht. Ik merk dat Bert Z. steeds gretiger wegrijdt na een obstakel (stoplichten, hekje, slagboom, scherpe bocht). Het is steeds aanpoten. Hij zal toch niet proberen alleen weg te komen? Nee, dat is zelfmoord. Bert kan zijn kansen goed inschatten – hij zit al lang in het vak. We geven hem soms 50 meter en inderdaad sluiten we weer aan.

Leendert blijft achter tussen de schapen
Na de Ketelbrug maakt het fietspad een vreemde lus naar beneden die wat verwarring schept. We draaien eigenlijk onder de weg door. Beneden aan de dijk staat een slagboom met een smalle doorgang, richting een fietspad langs het IJsselmeer. Schuin op de dijk staan schapen ons verbaasd aan te kijken met ogen op schoteltjes. Je hoort ze denken: "wat zijn dit voor idiote figuren met afgeknipte broeken op ijzeren paarden." We wippen achterelkaar langs de slagboom en iedereen zet meteen vol aan op de dijk. Hoge windmolens lijken ons aan te moedigen. De schapen zoeken angstig een uitweg voor dit  Amsterdamse fietsgeweld. Ik zie dat er een gaatje ontstaat tussen de groep en Leendert. 10 meter, 20 meter en het is gebeurd met onze wieltjeszuiger. Hij is er af. Ik zie hem steeds kleiner worden. Ik hoor hem iets roepen maar zijn stem verwaait in de harde tegenwind. Ik kijk nog een keer om en hij is al niet meer te zien aan de einder. Leendert exit.
Aan de ene kant opgelucht, aan de andere kant zit de schrik er bij mij goed in. Potver, de kans dat je er af wordt gereden is groot, realiseer ik mij. Er hoeft maar een klein gaatje te vallen tussen jou en het laatste wiel en het is gebeurd met de koopman. Ik heb ook wel weer een beetje medelijden met Pot. Altijd gepest in de klas…Maar verder krijg ik de tijd niet om hier over na te denken want er wordt alweer hard gekoerst. Vol tegen de wind in, wel te verstaan.
We rijden nu in een gestaag tempo naar Lelystad. Kop over kop. Het wordt nu echt een kat en  muis spel. Ik probeer in te schatten wie er aan het sparen is. Zie ik Jan Mart niet steeds korter op kop rijden? En moet ik dat dan ook gaan doen? Er gaat wat door je heen tijdens zo’n koers. Het is eigenlijk ook wel weer grappig. Vijf volwassen mannen die zich als kinderen gedragen. En wat stelt die wedstrijd nu voor, waarom neem ik dit zo serieus?  Dingen die je maar beter niet kan afvragen na 180 km fietsen, op een zaterdag in de regen en in de loeiende wind.

Marlin rijdt lek en toen waren het er nog 4
In de verte doemt de enorme elektriciteitscentrale van Lelystad op. Ik rij op kop. De weg langs de dijk gaat omhoog. En ik voel het meteen aan het stuurgedrag van mijn fiets. Geen goed contact met het asfalt. Zwabberen. Mijn achterband. Lek. Heb ik weer. Een pechseizoen. Eerst mijn sleutelbeen en dan op 190 km lekrijden. Godver! In mijn naïviteit denk ik nog: ik heb evenredig kopwerk gedaan: ze zullen wel even wachten maar nee hoor. Het peloton wacht op niemand. Had ik natuurlijk ook niet gedaan. Toch is het zuur.
Door god en alleman verlaten staar ik verbijsterd het kopgroepje Trappisten na. Zij worden steeds kleiner aan de horizon en kijken niet om. Het wordt stil om mij heen. De enorme centrale zoemt. De wind giert. Het water klotst. Een schaap staat te blaten. Hier eindigt mijn wedstrijd. Even voel ik mij heel nietig.
Maar de gedachte dat Pot zo langskomt en dat ik met hem in mijn wiel naar Almere moet rijden doet mij nuchter worden. Ik verwissel mijn band en stap op mijn fiets. Het is nog maar een klein stukkie naar Lelystad en dan Almere en dan ben ik bijna thuis. Maar in mijn uppie gaat het niet meer. Ik voel nu pas hoe moe ik ben. Ik kom tegen de wind in niet boven de 20. Ik besluit om in Lelystad maar even te pauzeren. Twijfel zelfs of ik in mijn eentje ooit nog thuis kan komen.

De toerrijders brengen verlossing
Ik raak bij Lelystad verzeild in het slenterende koopvee rond Batavia-stad. Hoe zullen de overgebleven renners de juiste route hebben gevonden? Dat moet wel erg grappig geweest zijn. Snel proberen tussen de mensen door een gat te slaan. Ik zag het voor mij. Het is hier markt. Ik zoek naar een snackbar want een vette bek zal me goed doen. De snackbar blijkt ook appeltaart met slagroom te verkopen – goede brandstof. Ik heb mij nog niet geïnstalleerd achter dit levenselixer of ik zie een paar zwartgeblokte shirts aankomen. De overgebleven toerrijders! Ik was helemaal vergeten dat ik ook met hen mee kon terugrijden. Wat een luxe!  God wat was ik blij hen te zien. Dat zijn nog eens Trappisten waar je op kan bouwen... Niet van die wedstrijdrijders waarvan je alleen maar de kont van kent. We eten wat, we lullen wat, we drinken wat en gaan op weg. Maarten Veen is de motor van de bus. Al kreeg Ben Koeleman het bij Almere ook op zijn heupen. Zij en twee andere Trappisten waarvan ik even de naam niet meer kan herinneren hebben mij langs dat saaie stuk van de Oostvaarderse plassen geloodst waarvoor ik ze eeuwig dankbaar ben.  Pas bij Almere begon ik een beetje te herstellen en kon ik ook wat langer kopwerk doen. Om 17.20 passeren we de Praxisbrug. Dat komt mooi uit want de oppas die op mijn kinderen aan het passen is kon maar tot half zes. Precies op tijd kom ik met een gortdroge ketting piepend en krakend tot stilstand voor mijn huisdeur. Gehaald, ok, maar niet gewonnen. Lukas gefeliciteerd!  






01 Verslag Marlin Ronde van IJsselmeer (2007)
02 Verslag Jan Maarten Ronde van IJsselmeer (2007)