Verslag Vijf Provinciën 2017

Even culinair uitpuffen in Zutphen. FOTO MARTHA HIDDINK

 

VANDAAG GAAT HET DUS WEL OM DE FEITEN

Verslag toertocht 11 juni 2017, door JOHN WANDERS

Bert is voorrijder. Hij zegt: ‘Het gaat er niet om dat de feiten kloppen. Belangrijker is dat het een sappig stukje wordt.’ 

Halverwege de route had Bert als ‘leader of the pack’ het voorrecht iemand aan te wijzen als auteur van een nog te schrijven koersverslag van de zondagse rit van 11 juni – een Vijf Provinciëntocht over 150 kilometer. ‘Jij bent introducé, hè?’ Vanachter zijn zonnebril keek Bert in mijn richting. ‘Dan mag jij het verslag schrijven.’ 

Hij sprak die woorden bijna plechtig uit. Alsof hij mij zojuist een grote gunst had verleend. Om mij heen hoorde ik vooral gegrinnik. Huiswerk dus. Nu we voorbij Abcoude de buitenwijken van start- en finishplaats Amsterdam naderen vraag ik Bert waar het stukje naartoe moet. 

‘Eh, dat weet ik niet... Ik geloof naar redactie@trappist.nl.’

Feiten zijn bijzaak voor een Trappist, begrijp ik uit Berts woorden. Helaas voor hem en de club: feiten zijn mijn brood en boter. Al mijn hele werkzame leven schrijf ik verslagen van gebeurtenissen waarbij het draait om het informeren van lezers, mét behoud van hun vertrouwen. Ik ben met hart en ziel, met lijf en leden verklonken aan non-fictie. Als ik daar geen lol in had gehad, was ik wel romanschrijver geworden. 

BOVENDIEN, ER IS AL GENOEG FAKE NEWS, BERT !!!!

Daarom zijn hier de feiten van zondag 11 juni: 

We beginnen bij het Flevoparkbad. Bij Muiden pakken we onze onverdiende rust. De brug gaat net open en het wemelt van de plezierbootjes. Kijk die passerende zilvervloot nou toch, het gaat best goed met Nederland. 

En door naar Flevoland. 

Bert rijdt voorop en geniet van de natuur als we over smalle paden door het Kathedralenbos knallen. ‘Je treft het vandaag. Dit is een prachtige route.’

‘Paaltjes!’ 

Het is snikheet. We draaien een bocht om en plotseling begint het te sneeuwen. 

‘Pluisjes!’, roep ik waarschuwend naar de rijders achter mij. 

Als erkende pluisjeshater krijg ik even later onverwachts de kans netjes in de berm, op zijn Dumoulins, mijn hooikoortsneus te snuiten. Iemand achterin het peloton is lek gereden. En ja, dan valt het hele cluppie stil. 

‘Geen lek!’ 

Het blijkt loos alarm van een lolbroek.

‘Dit leidt wel tot inflatie van de uitroep Lek!’, verzucht clubpenningmeester Liduine. 

En door naar Gelderland.

‘Lek!’ 

Serieus ditmaal, een heuse bandenwissel op de Nijkerkersluis. Het duurt even. We eten een boterham. We kletsen wat, kijken om ons heen en genieten van het uitzicht vanaf de brug. 

En door naar Gelderland.

‘Lek!’ 

‘Alweer? We zijn nog geen 50 meter verder!’

Inderdaad, we waren net ingeklikt. Het duurt even. We whatsappen met vrienden die nu achterover in de zon liggen. We eten een banaan. We kletsen wat, kijken om ons heen en genieten van het uitzicht vanaf de brug. Achter ons in Flevoland is een brandje aan het ontstaan. Kijk, daar heb je de hulpdiensten al. 

En door naar Gelderland. 

‘Ik heb een cartografisch geheugen’, vertelt Bert. ‘Als ik eenmaal een kaart heb gezien, onthoud ik ’m.’ Ik zeg dat ik hem benijd, dat ik die gave fantastisch vind.

Twintig minuten later bevinden we ons op een doodlopend parkeerterrein. ‘Oeps’, zegt Bert. ‘Afslag gemist.’ Hier en daar klinken pesterige opmerkingen, maar ik denk: de navigatiesoftware in mijn Volvo heeft het veel vaker mis dan Bert.

Arent en Bram hebben mij uitgenodigd een zondag mee te fietsen. Ter kennismaking met hun club. Het blijken inderdaad allemaal aardige lui, die Trappisten. 

De afkorting FC zal vast voor ‘fietsclub’ staan. En dat een trappist veel trapt wil ik voetstoots voor juist aannemen. Maar het blijft voor mij een clubnaam die vooral associaties oproept met voetbal en bier van het sterkere soort. Dat vind ik dan wel weer stoer. 

De stoerste van het stel heet Peter. Hij zit op de hoogste fiets en zijn dansende kale kop steekt boven onze helmen uit. 

‘Heb je je hoofd goed ingesmeerd, Peter?’

‘Ja, twee keer.’

‘Je hebt nooit een helm op?’

‘Alleen als het moet.’

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) zal later die dag melden: ‘Op 11 juni heeft het RIVM een zonkracht van 8.7 gemeten. Hoewel de metingen nog geverifieerd moeten worden is een zonkracht boven de 8.1 in meer dan 20 jaar nog nooit gemeten.’

En door naar Utrecht.

Bert heeft uitstekende connecties bij restaurant Eemlust in Baarn. Er zijn drie tafels voor ons gereserveerd en als ik na het opgeven van de bestelling even naar de plee loop om mijn bidon te vullen, zie ik bij terugkeer dat de eerste tafel al achter de broodjes kroket zit. En hallo, daar heb je mijn uitsmijter ook al. 

‘Juffrouw, het duurt wel heel erg lang voordat onze bestelling komt’, klaagt een klant een tafeltje verderop, als de eersten van ons al in de rij staan om af te rekenen.

‘Meneer, we hebben hier net een wielerclub gehad van 25 man’, antwoordt de serveerster met overslaande stem.

En door naar Zuid-Holland.  

‘De moeilijkste meters zijn de eerste meters na de lunch’, hoor ik iemand kreunen. 

Een stuk of vier testosteronbommetjes laten voorrijder Bert in de polder hun hielen zien. En nog een keer. En nog een keer. Dat komt ze duur te staan. Terwijl ze zich losmaken van de groep, neemt Bert een afslag naar rechts. Het peloton splitst zich. De kopgroep is gezien, maar heeft niks in de gaten. Roepen helpt niet, ze knallen onverstoorbaar door. Ik fluit op mijn vingers. FFFIIIIEEET !!!! Gelukkig, ze horen het, onderkennen hun probleem, draaien en moeten dan serieus aanzetten voor een achtervolging. Want Bert rijdt volle bak door. Ik zie zijn gekromde rug en zijn cadans en hoor hem bijna denken: ‘Ik zal ze krijgen, die rebellerende kinderen.’

En door naar Noord-Holland.

Het gaat hard langs de Amstel. Hoog in de 40. Ik doe lekker mee. Maar bij Abcoude staat het stoplicht te lang op rood en voel ik ineens dat het pijpje leegloopt. Wat zullen we nou krijgen? Toch te weinig gegeten? Te hard op kop gereden? En geen water meer in mijn bidon, verdorie. Het is heet. Aangekomen in Amsterdam is bij de Omval alle fut uit de benen verdwenen. Ik smacht naar een witbiertje en een terrasstoel. 

Na thuiskomst zie ik dat Arent een Whatsapp heeft verstuurd naar de vriendengroep waarmee we in mei samen over de Grand Ballon reden. In zijn app een Strava-kaartje van het gereden parcours van deze dag: 154 km. ‘Respect John! Nu de rest nog’, schrijft hij. 

Ik glimlach. Witbiertje in de hand. Dank jullie wel Trappisten. 

Ik ben gesloopt.