Verslag Koppeltijdrit 2017

EINDELIJK HET ONNOEMBARE KOPPEL IN ZICHT

 

Verslag Koppeltijdrit 2017

 

Ik heb een trauma. En het heeft armen en benen en guitige ogen. 

Laten we hem Jan noemen. 

Jan heeft een pact met de duivel. En ik ben meestal het kind van de rekening.

Neem de tijdrit van Ulysses van vorig jaar. 20 kilometer over de openbare weg. Voor de goede orde: ik was daar titelhouder in 2015. 

Om die te behouden had ik me vorig jaar goed voorbereid. Had er zelfs een heuse tijdritfiets voor gehuurd, met van die dichte wielen en schakelaars op het ligstuur. Kostte me 125 euro voor een week. Maar een titel is een titel. 

De tijdrit ging als een trein. Op het lange stuk naar Broek in Waterland haalde ik snelheden boven de 45. Niemand kon me iets maken. Maar toen kwam de Voorzienigheid, gezwicht door de steekpenningen van het Duivelsjoch, en stuurde vanuit de hemel een bliksemschicht of wat. Die schicht veranderde op aarde, volgens de wetten van de metamorfose, in een bastaardteckel. En deze geestverschijning rende op het Volgermeerfietspad vanuit het riet recht op mijn voorwiel af. 

Ik moest vol in de remmen. En vond mezelf terug overdwars op het fietspad. Uit mijn mond hoorde ik de woorden “Godverdomme, kuthond”. Dat was niet netjes en onrechtvaardig voor een hemels gebroed. Ik werd meteen gestraft en zag vanuit het niets een rechtervuist op mijn oog afkomen. Daar zat een grote behaarde arm aan vast. Ik kon de vuistslag nog net voorkomen door een zeldzame mengeling van empathie en verongelijktheid. "Ik begrijp dat u het niet leuk vindt dat ik uw hond uitscheld, maar ik was bijna dood geweest.” Het baasje vond dit een goed argument. Ik mocht verder. Maar mijn ritme was weg. Mijn hart wilde niet meer werken. 

Ofwel: Mijn kwelgeest won uiteindelijk met tien seconden. Ik mompelde wat over een hond in mijn wiel, maar die pretoogjes en parmantige glimlach van mijn tegenstrever pareerden elke uitleg. Opstandigheid jegens de Voorzienigheid is kwalijk, abject en wordt meestal bestraft met het Hellevuur. 

Twee maanden later: Koppeltijdrit Sloten. Twee titelkandidaten: Jan en Mike, onze tijdritspecialist. En de man die nog nooit een tijdrit verloor. En ik en Mart. Wij hadden ons intensief voorbereid. Wij waren in vorm. 

Jeetje wat zag dat er goed uit. Onze snelheid was ver boven de 43 km per uur. En we reden nog niet eens voluit. We gingen in elk rondje sneller dan de concurrentie. Ik zal hun namen niet noemen. 

Wat me hielp om voluit te gaan is dat Klaas of Djoen een fles wijn had gewed op het koppel wiens naam ik niet meer noem. Het was aan ons te bewijzen dat ze gokten op het verkeerde paard.

Maar in ronde vijf (van de tien) ging Mart steeds slechter rijden. En nog slechter. We reden amper boven de dertig. Mart toch! Een afloper, zo meldde hij me. 

Wat was ik kwaad. De adrenaline zocht zich een weg naar mijn beenspieren. Van nijd reed ik de rest van de rondjes alleen door. Totaal nutteloos, want het gaat om de tijd van de tweede man. Maar ik perste er rondjes uit van boven de 43 km. Sneller dan het andere koppel. 

Evengoed stonden zij en niet wij met de bloemen. Jan's pretoogjes en spottende glimlach sneden door mijn ziel. Au. Au. Au. 

Vrijdag 23 juni 2017. 

Alles klopte. Vooraf. Mart was op tijd toen ik hem ophaalde. We hadden geen file. 

Om geen ruimte te laten voor toeval hadden we al twee keer geoefend. De overnames waren besproken. Wat is efficiënter: lange of korte? Hoe houden we de hoogste snelheid? We kwamen uit op overnames van zo'n halve kilometer. De start was vijf keer gedaan. Besloten was dat ik zou beginnen. In de eerste bocht zou Mart overnemen. Altijd binnendoor. De kortste weg. 

Alles ging volgens het boekje. Alles? Neen, er stond een reiger in de eerste bocht. Een reiger die niet van wijken wist. Waardoor we ons een hoedje schrokken. Maar dit zandkorreltje in onze geoliede machine spoelden we snel weg.

Ook dit keer waren wij het voorwerp van de goklustigen. Joost Hartog gaf dit keer geen cent voor onze kansen. Dat konden we niet op ons laten zitten. 

Maar, sorry als het een slap verhaal wordt, langzamerhand werd ik wat minder zeker van de zaak. Waarom zagen we het koppel niet, de Onnoembare? Het was een minuut voor ons gestart en in het lang rechte stuk aan de zuidzijde van Sloten kon je toch minstens 40 seconden voor je uit kijken. 

Ik was vooral bang voor Marlin. Die kon lang boven de 45 kilometer per uur rijden. Jan was vorig jaar de mindere van Mike, dus die moesten we kunnen hebben. 

We raapten twee koppels op. Maar van Marlin en Jan: geen spoor.

Ik spoel acht rondjes door van een gelijkmatige 42.8 km/uur gemiddeld. 

En toen kwam daar het sprankje hoop. Twee ronden voor het eind verschenen er opeens twee stipjes in Ulysses-tenue aan de horizon. Voorlopige conclusie: we lopen op ze in. 

Maar te vroeg gejuicht. Mart dreigde kramp te krijgen. Overnames gingen niet meer soepel. Marts tempo zakte. Finish. Oké. Zozo. 

De onzekerheid zette zich voort na de aankomst. Bij het uitrijden stuitten we op Marlin en Jan. Ik zag het meteen: pretoogjes en een parmantige glimlach. De kwelgeest keek recht door me heen. Het zou toch niet…? Hij zei iets van: “Moet je me niet feliciteren?” 

Ik legde uit dat we op ze waren ingelopen. Jan had het erover dat zij als razenden gestart waren. Met een eerste rondje van bijna 45. Dat verklaarde ook dat we hen niet voor ons hadden zien rijden. En wij hadden toch die reiger?

Ook bij het juryhok was er verwarring. Leon meende dat we gewonnen hadden. Klaas, die een koppel met Djoen had gevormd, vertelde dat Jan en Marlin met een veel grotere vaart over hen heen waren gedenderd dan wij. 

Gelukkig, daar kwam het A4'tje uit het juryhok. 

Leon ging er mee aan de haal. Shit, zag ik op de uitdraai van de uitslag 44,6 staan bij Jan en Marlin? 

Ik snapte er niets van. 

Weer het verkeerde verdict? Weer niets?

Tot de bevrijdende woorden kwamen van de juryvoorzitter van WVA: 44,6, dat is de snelste tijd. Niet de gemiddelde tijd.

“Die Mart, die heeft gewonnen. Dominicus.” Met 16 seconden verschil. 

“Mart zei u?”

Ik heb geen trauma. Het heeft zeker geen pretoogjes of een parmantige glimlach. Het heet niet Jan. Ik ben het trauma. De duivel houdt van me.

 

Jan Maarten Deurvorst