Hoogste tijd voor weer eens een ouderwets zeur- en zeikstuk. Voor mijn gevoel schrijf ik om de paar jaar een bijdrage over het in mijn ogen onbegrijpelijk koersgedrag van sommige Trappisten. Maar omdat het er sterk op leek dat we dit onkruid met wortel en al hadden weten uit te roeien, hoefde ik mijn pen niet in giftige inkt te dopen. Maar sinds kort steekt het fenomeen de kop weer op en wel in zo’n onstuimige mate, dat ik wel in oud geklaag moet vervallen.

     Het is woensdag 14 juni en ik ben op weg naar de 2e zomerwedstrijd. Die wil ik winnen. Na 3 tweede plaatsen, hunker ik naar mijn eerste overwinning van het seizoen. Omdat er een clubje notoire hardrijders naar de Pyreneeën is afgereisd, is de concurrentie niet op volle sterkte en acht ik me kansrijk. Die hoop wordt gaandeweg grandioos de nek omgedraaid door het rijden van een nieuw lichting A-rijders, waarvan Jack van Honschoten en Wybren Visser de meest in het oog springende gezichten zijn. Sterke jongens, dat lijdt geen twijfel, maar wat een wonderlijk koersinzicht houden zij er op na. Ze reageren – soms beurtelings, soms eendrachtig – op werkelijk elke renner die zijn kont optilt. Als een hypermoderne stofzuiger maken ze daarmee elke poging tot ontsnappen tot een zinloos avontuur. Dat is jammer, maar op zich geen reden tot beklag. Het begon bij mij pas te knagen toe ik ontdekte dat de heren niet voor eigen kansen gingen, maar de weg aan het plaveien waren voor ‘de lachende derden.’ Het was geen toeval dat die avond uiteindelijk Bas won, die we de hele koers niet hadden gezien. Uitgekookt gereden natuurlijk, maar hij werd onbewust wel erg geholpen door de stofzuigers-twins. Ik verbeet mijn frustratie. Ik had Jack al eens behoedzaam op zijn rijgedrag aangesproken en bespeurde een lichte verandering. Wellicht had eea tijd nodig.

   Afgelopen woensdag, tijdens de 4e zomerwedstrijd, was de rek er ineens uit. Ik had wederom op vele manieren geprobeerd weg te komen, maar wat ik ook deed of bij wie ik ook aansloot; het was allemaal tevergeefs. Jack en Wybren draaiden overuren. Ik had echter nog wat achter de hand gehouden en net voor het ingaan van de laatste ronde, waagde ik het opnieuw. Dat Jack zich bij me voegde, was geen verrassing, maar wel dat hij ditmaal alleen was. Doorgaans maakt het hem niet uit of hij anderen meebrengt: het gat moet dicht. Ik reken me rijk. Met iemand die zo met zijn krachten smijt, moet het goed ontsnappen zijn. Die heeft overschot en kan dat nu mooi inzetten. Maar al snel merk ik dat mijn aflossingen een stuk steviger zijn dan die van mijn vluchtgenoot. Bizar. Rijd je de hele wedstrijd als een bezetene in het rond en als je dan eindelijk in een echt kansrijke positie bent, is de koek op. Het zal vast aan mij liggen, maar snappen doe ik het niet. Ik zou zeggen: spaar een beetje, laat anderen ook wat werk opknappen en bewaar iets voor een ultieme poging. Maar wie ben ik? We worden bijgehaald en eigenlijk is mijn koers dan voorbij. Omdat het echter even serieus stilvalt, raap ik mijn laatste restje energie nog bijeen en versnel opnieuw.

Veel stelt het niet meer voor, maar ik krijg warempel een gaatje. Zou het alsnog kunnen? Ik ploeter voort en kijk nog een keer om. Recht in het gezicht van Wybren, die met de hele bubs in zijn wiel mij terughaalt. Wie zou denken dat hij met deze actie zichzelf in een kansrijke positie voor de sprint heeft gebracht en met een paar machtige halen de overwinning voor zich opeist, komt bedrogen uit. Zodra hij mij te pakken heeft, valt/houdt hij stil. Iedereen dendert over hem heen en zelfs ik weet hem uiteindelijk nog voor te blijven. En dat wil in de sprint wat zeggen. Het stoom komt echter uit mijn oren. Niet omdat ik ben teruggepakt, dat hoort bij het spel en bovendien was het echt een wanhoopspoging waar niet veel meer achter zat. Maar omdat ik dit optreden maar niet begrijp. Gerard Snel reed een paar dagen eerder (tijdens het CK) ook voortdurend gaten dicht, maar die had er gezien zijn eindschot alle belang bij. Daar word je als niet-sprinter ook niet vrolijk van, maar die rijstijl kan ik tenminste volgen. Gerard reed vol voor eigen kansen. En dat is toch wat we met z’n allen moeten doen, hoe onbeduidend onze koersen ook zijn en hoe onbenullig ons niveau ook is: rijden voor eigen kansen. Dat maakt het leuk , spannend en eerlijk. Toen ik na afloop met onverholen irritatie aan Wybren vroeg voor wie hij dat gat op het laatste lange eind dichtreed, zei hij: voor mezelf. Toen zakte mijn wielerbroek, die toch al ergens op mijn enkels hing, helemaal af. Ik had me nog kunnen voorstellen dat hij een andere Trappist had genoemd. Dat hij een stilzwijgend akkoord had gesloten om iemand in een kansrijke positie te brengen. Dat zou niet heel sportief zijn geweest in een wedstrijd zonder ploegbelangen, maar ik zou het wederom hebben begrepen. Maar nu hij zonder blikken of blozen toegaf enkel voor zichzelf zo gereden te hebben, raakte ik van onbegrip oververhit. Hoezo voor zichzelf? Wie was gediend met zijn actie? Diverse jongens die in zijn wiel zaten, maar zeker niet hijzelf! Dit was, ik kan het niet anders noemen, fietsen als een kip zonder kop. Stokoude wonden sprongen open, wat uitgebannen leek – zoveel was nu duidelijk – had weer gezicht gekregen. In dit geval zelfs twee gezichten.

    Strikt genomen mag iedereen natuurlijk koersen zoals hij zelf wil. Het vervelende is alleen dat bij wielrennen – en zeker op de kleinschalige manier waarop wij het beoefenen – iemands rijgedrag de wedstrijd doorslaggevend kan beïnvloeden. In dit geval tot groot genoegen van de sprinters en tot ergernis van de niet-sprinters. Een veelgehoorde reactie op deze ergernis is: ‘Moeten we je dan gewoon laten wegrijden?’ Eerlijk gezegd slaat dat nergens op. Niet dat ik teruggepakt word is het probleem, dat overkomt me zo vaak, maar dat ik teruggepakt word door iemand die dat op een soort automatische piloot doet, zonder nadenken, zonder agenda. Dat kan me echt razend maken. En mij niet alleen. Lotgenoot Jan Maarten is er in het verleden als eens een pittige polemiek over begonnen en zoals gezegd doe ikzelf om de zoveel jaren ook een stevige duit in het zakje. Maar het mag allemaal niet baten. Sterker: met dit verwijtende geschrijf maak ik natuurlijk geen vrienden. Het zij zo. Veel somberder maakt me het vooruitzicht dat dit fenomeen me tot het einde der tijden zal blijven achtervolgen. Dat ik straks tijdens de rollatorrace in de gangen van een verzorgingshuis op de valreep wordt bijgehaald door iemand die zo nietsvermoedend en enthousiast voor andere oudjes het gat heeft dichtgereden dat van verbazing en boosheid mijn gebit losschiet en uitbundig gaat klapperen. Dat beeld hangt als een zwaard van Damocles vervaarlijk boven mijn hoofd.

 

Mart Dominicus