Verslag 3e nazomerwedstrijd

 

SCHURFTIGE HOND BLIJFT SCHURFTIGE HOND

 

Derde nazomerwedstrijd-A, 23 augustus 2017

Mag ik even aan u voorstellen: Bert de lama, is goed aaibaar, geeft zachte wol, maar als-ie kwaad wordt, dan gaat-ie spugen, of bespringt zijn tegenstander. Daar heb je onze stier Marlin, gaat overal schijtend en pissend achteraan, maakt eigenlijk ook niet uit of er rood in zit. Hier is Bas de rat, hem zie je meestal niet, maar op de meest onverwachte momenten drukt-ie zijn rattensnuitje aan het venster. Hans de vlo, zie je ook niet, kriebelt alleen, maar uiteindelijk is er wel uitslag. De bronstige giraffe Djoen, doet alleen mee als er wijfjes zijn, of stro om zacht op te liggen. En dan heb je nog de jonge hond Sander, huppelt totaal onschuldig in het rond en is telkens verbaasd dat-ie als eerste de meet passeert. Het stinkdier Jack, rijdt meestal knotsebollend alleen. Het Arabische raspaardje Tim, staat al aan de start met een vergroot geval. En niet te vergeten de makaken uit de B. Zij springen op alles dat beweegt en maken daarbij een hoop lawaai. Op een gegeven moment vergeten ze waar ze mee bezig zijn en eindigen ze ergens in een boom. 

Maar goed, de hoofdrolspelers vandaag zijn de schurftige hond en de muilezel Mart. Een ezel stoot zich niet driemaal aan een steen, een muilezel doet het juist meteen.

 

Er is een hoop geblaat en geblaf aan de start. De stier is bronstig. De rat knaagt wat. De lama legt een laatste flats. En zo is er altijd wat. De schurftige hond ergert zich aan alles en heeft kriebel. Hij wil het liefst een beetje in de hoek liggen en aan zijn korsten likken, maar dat kan nu even niet, hij moet mee met deze beestenbende. Jezus, de stank is niet om te harden vandaag. 

En ja hoor. Het raspaard is er meteen klaar voor en gaat hinnikend en steigerend weg. Zo gaat het nou altijd. Sander de jonge hond zit kwispelend in zijn wiel. De stier heeft het er maar druk mee. Muilezel Mart is ook een paar keer mee. Maar god, god, god, dat zit maar te bijten en te blaffen en te hinniken en te blaten. En dan die paarden met hun vergrote lid, de lama, die nu al begint met spugen en het stinkdier die elke kudde uiteenjaagt. Het is weer niks. En het wordt niks. 

Er is een hoop stront. Er vliegen zelfs bloedspetters in het rond. De koe doet 'boe’. Alleen de rat lijkt onbewogen. Als je goed kijkt zie je zelfs hoe hij bijt aan de staarten van de amechtige beesten achteraan de kudde. 

De schurftige hond ziet het allemaal aan. Maar niemand ziet hem. Hij heeft er al geen zin in. En dan dit. Nu beginnen ook zijn poten op te spelen. In zijn eenzaamheid rent hij een paar keer jankend weg, maar niemand volgt hem. Hij krijgt een paar rake klappen. Schurftige hond blijft schurftige hond.

Hé, maar wat was dat? Daar komt de muilezel. Hij ontfermt zich over de schurftige hond. Hij aait de schurftige hond. En de schurftige hond is dankbaar en ook lief voor de muilezel. 

De muilezel kan vooral heel goed alleen galopperen, voor de rest is hij erfelijk niet zo rijkelijk bedeeld. Zelfs normaal een bochtje nemen is iets te veel gevraagd voor dit arme schepsel. 

 

Zo hebben ze het fijn, en fijn en fijn. Dat blijft een tijdje zo. Maar dan. De schurftige hond en het muilgeval kennen elkaar al van een eerdere ontmoeting. Toen leek de schurftige hond ook heel lief totdat hij de stal rook en hij de arme ezel in zijn poot beet met zijn stinkbek. En zo gaat het vandaag ook weer. Zie daar de twee verstoten beesten. De ene nog lelijker dan de ander. De honden hijgen in hun nek. Ze zijn bang voor de stier en vooral de bronstige hengst.

En weer galoppeert de muilezel nietsvermoedend naar de meet. Weer is-ie de schurftige kuthond vergeten. Weer stort die zich op de homp vlees. Hap. Weg. Doei. Hij krijgt nog een rotschop van de ezel, maar dat is-ie gewend. Dat was het weer.

Naderhand storten alle beesten zich woest op de schurftige hond, met zijn vieze poten en die aangekoekte poep bij zijn anus. Maar ja, het vleeshompje zit al ver achter de rottende tanden in zijn stinkende bek. Daarna wordt-ie zoals altijd in de hoek geslagen. Om te pesten gooien ze hem wat dorre planten met stekels na. Hij jankt een keer plichtmatig en gaat door met het likken van zijn wonden. En dat was dat.

 

Jan Maarten Deurvorst

Verslag 3e nazomerwedstrijd en ind. tijdrit 2017

EZEL STOOT ZICH NOGMAALS AAN ZELFDE STEEN

Verslag 3e najaarswedstrijd en individuele tijdrit 2017


In zijn verslag van de 3e nazomerwedstrijd noemt Jan Maarten me een ezel. Nu vind ik persoonlijk een ezel een erg mooi dier, toch had ik niet de indruk dat het als een compliment was bedoeld. JM refereerde onmiskenbaar naar de manier waarop ik me in de finale wederom door hem in de luren liet leggen. Van zoveel stommiteit zou een ezel inderdaad nog wat kunnen leren. 

De situatie was namelijk vrijwel identiek aan een paar wedstrijden eerder. We zitten met z’n tweeën voorop en gaan broederlijk de laatste bocht in. Ik had me die eerste keer helemaal het schompes gereden om vooruit te blijven, waardoor ik echt niets meer overhad toen JM na de bocht aanzette. De sprint was een aanfluiting, JM won afgetekend. 

Die afgang spookte nog door mijn hoofd nu we opnieuw gezamenlijk vooruit zaten. Dit zou me geen tweede maal overkomen. Ik moest en zou ditmaal winnen.  Mijn voorgenomen strategie om iets over te houden voor de finale werd echter zwaar op de proef gesteld door de overige deelnemers. Waren we de eerste keer duidelijk uit hun greep, nu bleven ze als een dreigend monster in onze nek hijgen. Rustig uitbollen naar de meet was er daarom niet bij.

Als ik op het lange rechte eind voor de laatste bocht omkijk, is de afstand echter geruststellend geworden. Dit moeten we kunnen redden. Nu alleen nog het koppie erbij houden en JM als eerste de bocht in laten gaan, na de bocht in zijn wiel en uit de wind blijven om hem vervolgens gedecideerd te passeren. Een kind doet de was. 

Ik voeg de daad bij de gedachte en geef net voor de bocht af. JM neemt over, maar van harte gaat het niet. Hij voelt de bui al hangen. Halverwege de bocht houdt hij in en wil hij overduidelijk van kop af. Ik kijk hem spottend aan. Wie dacht hij dat ik was, zotte Henkie? Over my dead body dat ik nu ga overnemen. Leer mij een koers lezen! In diezelfde vernietigende blik op mijn opponent, zie ik in de achtergrond de voorsten van het pelotonnetje plots akelig dichtbij komen. Als we niet oppassen... En wat doen mijn benen; die beginnen warempel aan te zetten. Als twee ongehoorzame pubers negeren ze mijn gebod volkomen, gaan compleet hun eigen gang. Voordat ik het weet zit ik waar ik zo nadrukkelijk niet had willen zitten: op kop. Ik begin te sprinten, maar voel al dat een tweede blamage nabij is. Ik breng JM opnieuw in een zetel naar de meet. Ik kijk naar mijn benen. Eikels zijn het. Even klamp ik me nog vast aan JM’s nobele inborst. We hebben samen de koppeltijdrit gewonnen. De vorige keer was de winst voor hem. Ik lach om zijn grapjes, complimenteer hem met zijn reportages, prijs zijn vrouw en kinderen. Daar moet hij gevoelig voor zijn. Hij blijft in mijn wiel en gaat het aan mij laten. Heel chique JM! 

Terwijl ik zo wegdroom komt zijn fiets me stoïcijns voorbij en klopt me genadeloos. Na afloop voel ik de minachting in de wijze waarop men mij aankijkt: wat een sukkel die Dominicus, zich zo infantiel laten inpakken! Met mijn fiets tussen de benen smeer ik hem. 

Je zou denken dat ik daarmee mijn les wel had geleerd en me geen nieuwe stommiteiten meer zou veroorloven. Maar daar komt JM’s ‘ezel’ weer om de hoek kijken. Een ezel is niet namelijk alleen oliedom, maar ook stijfkoppig en hardleers. Dat ik feilloos aan die typering voldoe, blijkt tijdens de individuele tijdrit die onlangs is verreden. De weersverwachtingen zijn niet best. Het regent wat en er waait een stevig windje dat bovendien haaks op het parcours staat. Ik twijfel dan ook of ik met een dicht achterwiel zal starten. Zou ik met deze wind daar niet meer last dan profijt van hebben? In plaats van een simpele winst- en verliesrekening te maken, merk ik dat ik ook een heel ander argument toelaat.

Na afloop van de door Jan Maarten en mij gewonnen koppelkoers, beet Marlin de teleurstelling van zich af door te wijzen op de dichte wielen waarmee wij wel en zij (Marlin en Jan) niet hadden gereden. Dat zou het verschil hebben gemaakt. Omdat de discussie zich op Facebook afspeelde, kreeg ik er weinig van mee en bovendien dacht ik: zou best kunnen dat onze dichte wielen wat voordeel hebben opgeleverd, maar dat kan moeiteloos worden weggestreept door het leeftijdsverschil van zo’n negen jaar tussen Marlin en mij. Alsof dat geen tijdsverschil zou kunnen opleveren! 

Hoe achteloos ik zijn reactie toen ook naast me neerlegde, ik merkte dat het mijn afweging nu beïnvloedde. Mocht ik straks met een dicht achterwiel opnieuw voor hem eindigen, dan zou hij ongetwijfeld weer deze kaart gaan trekken. Hoe stom en kleinzielig het ook klinkt, maar dat wilde ik voorkomen. Dus staat Mart-de ezel met een doodgewone fiets aan de start. Geen dicht achterwiel, zelfs geen hoge velgen. Exact de fiets waarmee Marlin gaat rijden. Ik heb er zin in. Een paar dagen geleden een testrit gereden en daar was ik zeker niet ontevreden over. Net binnen de 33 minuten en nog overschot na afloop. Dat moet als het er echt om gaat een lage 33-er op kunnen leveren. 

Met die gretigheid ga ik van start. Dat blijkt al snel te gretig. Ik rijd de eerste kilometers zo’n 44/45. Even denk ik dat vol te kunnen houden, maar dan begin ik als een gek te hijgen. Mijn adem slaat op hol, ik ben veel te hard vertrokken. Wat ik ook doe, ik blijf achter mijn adem aan zitten. Het gaat voor geen meter meer. Nu is tijdrijden altijd een worsteling, maar dit heb ik nog niet eerder meegemaakt. 

Pas bij het keerpunt, als het tempo noodgedwongen echt zakt, kom ik weer ietwat tot rust en op de terugweg weet ik me gelukkig enigszins te herstellen. Het loopt weer, ik kan weer vechten in plaats van harken.

Ik heb op de heenweg echter teveel tijd verloren om nog een fatsoenlijke eindtijd te halen: 34.30. Ongeveer 40 seconden langzamer dan tijdens mijn generale. Kortom: een domper van jewelste. Twee seconden achter koppel-concurrent Jan, maar wel 14 seconden voor diens maatje Marlin. Dat verzacht de pijn aanzienlijk. Dat zijn 14 loepzuivere tellen. Daar is geen dicht achterwiel aan te pas gekomen. Daar komt nog bij dat keerpunt-meester Aad (op z’n Aads: vriendelijk, maar onverbiddelijk) kond doet van het feit dat Marlin iets heeft afgesneden. Ongetwijfeld onbewust en waarschijnlijk met een te verwaarlozen effect, maar dat mag de pret niet drukken. Zo’n aanvulling kan rekenen op een warm onthaal. 

Bij nader inzien bleek het echter een Pyrrusoverwinning, een winst van niks. Want de eerste vijf in de klassering reden allen met een dicht achterwiel (misschien zelfs wel de eerste zes, ik kan me de fiets van Ard niet meer voor de geest halen). Dus haalt Marlin niet alleen alsnog zijn gelijk, met mijn koppige trots heb ik mezelf ook behoorlijk in de wielen gereden: 8-ste, mijn minste resultaat ooit. Je zou hopen dat dit een goede les voor me is, maar eerlijk gezegd acht ik die kans klein. Je bent een ezel of je bent het niet.

Mart Dominicus