De toorn van ontembare aanvaller Laurent Fignon

DE TOORN VAN ONTEMBARE AANVALLER FIGNON

 

Verslag Trappist Trippel

 

Als je van ontembare aanvallers als Fignon houdt, zoals ik, en nog meer van Frank Vandenbroucke, en 

– meer voor de jeugd – van Contador en Nibali, kan je niet anders dan een hekel hebben aan de wriemelende wurm uit de Sky-fabriek. En aan zijn getuur op zijn vermogensmetertje. En juist mijn nieuwe vermogensmetertje speelde een belangrijke rol in deze driedaagse in de Alpen.

 

Over mijn verraad aan Fignon, zijn wraak uit de wielerhemel, en mijn terugkeer als verloren zoon.

Over de verjaging uit het paradijs. 

Over de vleugels èn de zenuwen van de gele trui. 

Over hoe je kan winnen, terwijl dat volgens de analist van dienst toch eigenlijk onzin is, omdat je eigenlijk alles verkeerd doet (en jij niet alleen).  

En over de magie van het getal 3 natuurlijk.

 

IK BEN AAN DE BEURT

 

Ik had met de FCTrappist al 3 keer niet gewonnen in de bergen. Mijn bergen. Dit jaar ging ik dus wel winnen, vond ik. Ook al was de aanloop niet veelbelovend. Ik miste veel trainingen, en lag op dag 3 van een Pyreneeënweek tegen het asfalt te wenen naast 3 brokjes rafelig plastic die samen ooit mijn geliefde Isaac vormden. (Maar mijn Lenovo deed het nog wel). Bij de ploegentijdrit waren Klaas en ik een minuut langzamer dan vorig jaar. Als Joost en Kaat me niet liefdevol getroost hadden bij aankomst in mijn vieze huurhuisje was ik bij de start al een dood vogeltje geweest. En tòch ging ik winnen. Ik zag Bas wel weer eerste worden bij de A’s, Willard in Zandvoort als een dolle op kop rijden als training. Vermogensmeter-Bart had ik nog nooit in de bergen zien rijden... En Gerard, ja, die verschijnt zó sporadisch op de club, dat je het nooit weet. En dat Swift-shirtje intimideert nu eenmaal altijd! En toch, toch ging ik winnen.

 

PROLOOG VILLARD RECULAS

 

Twijfel

Twee-en-eenhalf uur voor de start kalmeer ik mezelf met een omelette fromage. Gewoon doen is de beste remedie tegen spanning, is het achterliggende privé-theorietje. Kan nog wel, man, gewoon iets lekkers eten. Laat die mannen maar nerveus aanstellerig doen.

Maar bij de start slaat de angst opeens keihard toe. Ze gaan me kloppen, ik ga af als een gieter. Willard legt zijn hand op mijn rug en vraagt: Èn, zijn die schouders breed genoeg om de favorietenrol te dragen?

 

Hm, daar gaat Jan Repko, niemand gaat erachteraan, nou ja, dan rij ik het langzaam dicht, nou gelijk er maar overheen, ahh, een bocht, ff pijn doen, hé, er zijn er nog maar drie .. nee, twee ... nee, één, het is Willard, ik rijd hem kapot, in de bochten, hm, nee, op de steile stukken, dan, nee, daar is hij weer, nog eens wegrijden, ik passeer een jongen en een meisje, een verschrikt Jézusss klinkt, dat wil ik horen, nu heb ik hem, ik ga zitten, en... nee, ik hoor zijn gesnuif nader komen... 

 

Bij de prijsuitreiking ’s avonds legt Willard geduldig aan de mensen uit dat ik vandaag heel onregelmatig reed. En dat hij telkens bijna tegen mijn achterwiel botste. Willards humor is niet voor iedereen in het publiek gemakkelijk te vinden. Hij verplaatst de koershumor, het elkaar prikken en een beetje afzeiken, naar een andere context. Namelijk nà de koers, en voor een lekenpubliek. Het dagverslag doet hier en daar een wenkbrauwtje fronsen, niet alle familieleden en toerders zijn vertrouwd met deze omgangsvorm. Maar pas op: het lijkt of hij verslag doet van vandaag, maar in zijn hoofd is de koers van morgen al begonnen! En je kan je tegenstanders niet vroeg genoeg uit hun evenwicht halen.

 

Grrrr, ik krijg hem er niet af. Ik weet dat hij me in de sprint gaat kloppen, het is niet heel steil, en hij is tenminste 80x zo sterk als ik. Maar hé.... hij zet aan, en ik fladder als een vlinder bij hem weg…

Ik kijk om en zie dat ik zo 30 meter heb. Ik plof opgelucht op mijn zadel, zoals vlinders doen, en zie hem pas weer... als ik 10 meter voor de finish omkijk en hij in vogelvlucht opduikt. Ik kom uit het zadel, maar het is te laat. Zeker 3 cm. Fotofinish overbodig. Roofvogel verorbert vlinder. De omelette fromage heeft ook zijn werk gedaan, en vindt zijn weg naar het asfalt. 

 

Ik ben een prutser

Hoezo ‘normaal’ doen! Ik tyf mezelf uit, en buig gegeneerd mijn hoofd. Lul, met je omelette fromage. En je recreantenhoofd. Ik ben een recreant, is mijn antwoord aan iedereen die achter de finishlijn vraagt: Èn: heb je ’m? Ik ben de risé. Ik ben een prutser. Nog een geluk dat ik mijn armen niet in de lucht heb gestoken, bedenk ik me opeens... 

 

Gêne, Chimay, blijdschap

Als ik ’s middags op mijn vermogensmeter kijk ben ik verrast. Ik ben dan wel een prutser, ik ben wel mooi de sterkste, maar vooral: de meter vertelt me dat ik eigenlijk best harder had gekund, gezien mijn trainingswaardes. Morgen gewoon harder rijden jongen, dat zal ze leren!

Willard vertelt de verzamelde troepen dat het niet de eerste keer was dat ik die fout maakte in de sprint. Ik ben te verbluft om te zeggen dat het ook niet de tweede keer was. Mart weet als enige dat hij me op Sloten ook al eens vanuit kansloze positie voorbij reed en won. 

Terug in het hotel neem ik een Chimay op het heerlijke terras. Ik vind mezelf nog wel een enorme loser, maar dankzij de Chimay verleent die gêne galant voorrang aan de vreugde dat ik ga winnen.

 

ETAPPE 1 - LES DEUX ALPES - LA BÉRARDE

 

Het verraad 

Bij de eerste klim, de aanloop naar Les Deux Alpes, voeg ik de daad bij het woord. Mijn metertje zegt dat het moet kunnen. Belangrijk detail: Bart volgt me, waardoor de rest gedwongen is om ook te volgen. Hahaha, dat is mooi, ik ga ze kapot rijden. Helaas is onze Jan Repko het eerste slachtoffer, dat is dan weer niet de bedoeling. Maar ja, hallo, nu ben ik eens aan de beurt!

 

Ik ben me op dat moment nog van geen kwaad bewust. Van het morele verval. Het sluipende gif van de vermogensbeheerder.

 

In de afdaling zijn we Willard twee keer kwijt en moet hij achtervolgen. Dat is ook al weer mooi meegenomen. Jan Repko sluit juist wèl weer aan, maar ook Willard komt terug en zelfs de man die sneller klimt dan daalt, Mart. Enige vroegstarters sluiten beleefd aan als we ze voorbijrijden.

Als trouwe gast van Chateau la Muzelle ken ik de klim naar La Bérarde als mijn broekzak. Ik weet waar ik moet gaan, om zonder Willard in mijn wiel aan de echte klim te kunnen beginnen. Alleen vooruit is een zekerder alternatief dan hem langzaamaan kraken als hij in mijn wiel zit. Hij is namelijk keihard. Bij de bocht naar links onder de overhangende rots, vóór Venosc, rijd ik hard weg, naar beneden, langs La Muzelle consolideer ik en na de brug begin ik met een mooie voorsprong aan de klim. Ik rij een half peloton voorbij, het voelt als een trein. Jézusss, hoor ik bewonderend sissen. Kijk, dat willen we horen. Zeker van Trappisten. Achter me zie ik Willard knokken, maar zeker niet dichterbij komen.

 

Opeens breekt het besef door: ik zit godverdomme de hele tijd op die vermogensmeter te loeren. Rijd ik niet te hard? Kan ik dit volhouden? Wordt het al minder op de steile stukken? Wat is dit voor nepwielrennerij? Ik voel het wielerboekhoudersleven naderen, zelfs voor recreanten als wij. Zo fiets je niet. 

 

Maar ja. Ik wil nu wel ff winnen! Dus ik blijf maar turen naar die meter. In de haarspeld voor het vlakke stuk zie ik Willard samen met Gerard zo’n 200 meter achter me en ik weet het zeker: 2 km vlak is teveel, ze gaan me terugpakken. Anders wel op de vlakke anderhalve kilometer voor de finish. Maar nee, tijdens mijn pr Achteromkijken zie ik helemaal niemand meer. 

 

Bij de finish staat Bas, die me feliciteert. Later realiseer ik me dat ìk hèm feliciteerde. Hij was als eerste over de finish gekomen. Terwijl hij bij de proloog nog achter zijn vader Jan was geëindigd! Gelukkig. Hij kan en durft het weer!

Euforie

Ik ben totaal eufoor. Drink voor de lunch vast een biertje, en denk geen moment meer aan Fignon in de hemel. Of aan Frank Vandenbroucke, gezeten ter linkerzijde van Fignon. Elk besef van verraad lijkt verdwenen.

Vanavond kreeg de arme Bart er nog even fiks van langs: Hard rijden en dan sterven, dat doe je niet, onbegrijpelijk koersgedrag, dàt is het. Compassie met de onfortuinlijke Bart moest wijken voor de boodschap: Willard wil morgen geen harde koers vanaf het begin. In zijn woorden lag voor mijn geoefende oor nòg een persoonlijke boodschap. Er was niet veel spanning meer, ik lag een straatlengte voor. Niets, alleen hongerklop, overmoed, dat soort dingen zou de uitslag nog kunnen beïnvloeden. Kortom, voor open doel kon ik alleen nog falen als ik echt een enorme sukkel was. 

 

Wroeging

Terug in het hotel hoor ik opeens Laurent Fignon vanuit de hemel, brommend van ergernis, een verbod op vermogensmeters uitvaardigen. Ik zal moeten kiezen of ik zijn profeet wil worden, besef ik. Maar eerst morgen wel ff winnen, met de meter bij de hand... 

Of kan ik mijn verraad misschien nog op tijd ethisch rechtbreien? Als ik dat nu nog wil doen, èn als ik morgen wil winnen: vanavond beter geen Chimay.

 

Excurs: verdreven uit het paradijs? 

Kennis krijg je niet zomaar. Je wordt verbannen uit het paradijs. Spelen is er niet meer bij. In het zweet des aanschijns zal je doelstellingen behalen, tellen KPI’s. Nu beschik ik dus sinds kort over kennis van mijn vermogen. Is daarmee het spel in de koers ook echt weg? Is het eigenlijk nog nodig dat de koers daadwerkelijk gereden wordt? Jongens, jongens, wielrennen was al een metafoor voor het leven. Nu ook nog voor onze lotsbestemming?

Spel is: gewoon wegrijden omdat een stemmetje zegt dat je per sé wil winnen, of gewoon omdat je je super voelt. Liefst allebei. En dan gaan. Jongens, gaan we nog rijden of wat? Anders ben ik weg hoor! Zoals op de Stelvio, jaren geleden. Gewoon wegrijden en dan kijken waar ze blijven. Nee, ik ben abuis. Dat is geen spel. Dat is spontaniteit. En spontaniteit kan alleen bestaan als onderdeel van een spel. Kan de lont in het kruitvat steken. Spel is: tactische manoevreerruimte hebben. Wielrennen is bijvoorbeeld óók: het beïnvloeden van de tegenstander. En daar verandert zo’n meter geen bal aan. Je kan bluffen, vermoeid kijken, met een blijmoedig gezicht even meer in het rood rijden dan verstandig is, om iemand het gevoel te geven dat je sterker bent dan je bent. Je kan pokeren als er iemand wegrijdt, zeker als je regelmatig wint. En er is meer: groepjes! Ook als ik meer vermogen kan draaien dan Willard, dan nog kan hij me doodmaken als er niemand met me meegaat en hij mee kan drijven in de groep. Toen Bart vanmiddag meereed, moest Willard aan de bak. En er zijn coalities die meespelen bij de groepsvorming. Door dezelfde of diverse complementaire belangen. En er is altijd een veelvoud van belangen. De dagprijs in een etappekoers, opschuiven in het klassement, strava (!), de gunfactor (al dan niet klinkend uitbetaald). En er is het ontberen van kennis: Bart zijn vermogensmeter was stuk, hoe zit iemand erbij? En er zijn de tactische keuzes: doe je een 2- of 3-stopsstrategie, in mijn geval: ga ik stoppen voor een ravitaillering of niet. Voor spontaniteit is in dit complex wel minder ruimte, maar dat maakt het misschien allemaal nog wel mooier: we weten allemaal hoe prutsers een koers onvoorspelbaar kunnen maken en dus het tactische element kunnen bederven.

En er is vast nog meer. Kortom, ook als iedereen weet wie de langste heeft, zijn er nog genoeg andere factoren over om er met de rondemiss vandoor te kunnen. Ik val gerustgesteld in slaap: ik mag van mijn geloof met een vermogensmeter rijden, en aan het eind wacht de rondemiss. Midden in de nacht schrik ik wakker: De rondemiss is Willard! Nee, grapje. Oei, wat een hoop manoevreerruimte, scenario’s tollen door mijn hoofd, er kan nog van alles misgaan! Het wordt een onrustige nacht.

 

ETAPPE 2 - DE LA MORT - ORNON – OULLES

 

Overmoed

Voor de start van de etappe zegt Willard dat hij hoopt dat er niet gek gedaan wordt. Ik ben wat nerveus, want Theo start 5 minuten voor me, precies de tijd die ik voor hem lig in het klassement, dus ik beschouw hem als een serieuze tegenstander. Het enige wat er mis kan gaan is dat er bij ons groepje niet wordt doorgereden. Willard weet dat niet. Die overdenkt onze Wattage-indicatoren.

 

Willard voegt de daad bij het woord, en gaat vrij tam op kop rijden. Ik zie dat vanuit de laatste plek een kilometer aan, niemand wordt ongeduldig, dus rij ik – zo rustig mogelijk – naar voren en neem toch maar over, versnel een beetje en zie dat ik wegrij. Ik kijk op mijn vermogensmeter (ik zei gisteren al, eerst het winnen, dan de moraal) en zie dat ik dit gewoon kan volhouden. Deze kennis is weliswaar slechts gestoeld op een extrapolatie van die ène dag van gisteren, maar mijn overgave aan de heilige vermogensmeter is nu blijkbaar onbegrensd evenredig aan mijn met de mond beleden afschuw ervan.

Mart sluit aan. Ik hoop op een herhaling van gisteren, maar Mart heeft blijkbaar niet de status van Bart. Of Willard kan gewoon niet beter. Ik los Mart in een bocht.

 

Haarspeldbochten, dat is mijn feestje. Ik weet niet waarom, maar het is zo. Altijd al. 

 

Na 7 km zie ik een groepje vóór me. Het is het groepje van Theo... Ik zie Jan Maarten er net uit wegrijden. In plaats van te consolideren zet ik even goed aan en rij ze hard voorbij. Jézusss, hoor ik, ten derde male. Vandaag een Jézusss van mijn directe concurrenten. Mijn triple is al geslaagd... 

 

Hier gaat het dus ff helemaal mis, qua gogme. In mijn euforie dat ik de langste heb, vergeet ik dat ik nu gewoon bij Theo kan blijven, en dat ik dan alleen maar hoef te volgen. Hem, en Willard, als die weer langszij komt.

 

Ik ben blij Jan Maarten te zien wegrijden. Hij is in bloedvorm, weet ik, we kunnen samen een eind wegrijden. Ik sluit aan. Wow, ben je daar al? zegt hij. Ik roep vol ongeloof: Ik ben gewoon héél goed... Ja man, goed, zegt Jan Maarten. Ik ben té goed. Ik rij ook hem los en kom – blijkt later – met 4 minuten voorsprong op Willard aan op de eerste col, de Col de la Morte, en hoef ook nog eens geen water te tanken. Een 1-stopsstrategie, heb ik vooraf berekend. 

 

Bloednerveus

1 km verder: ik schrik van het bord La Mure. Moet ik naar La Mure? Rij ik wel goed? Ik probeer me de briefing voor de geest te halen. Er was veel commotie: denk erom, doe dit, niet dat. Ik haal de route uit mijn gele (…) trui, ja hoor, D411, nou ja, ik geloof dat ik het me ook herinner van de Vaujany, en bovendien: dit is de route het dal in, andere wegen gaan naar bergdorpjes, maar oei, ik voel honger, heb ik wel genoeg eten bij me? Eén van de vier gelletjes heb ik op, nu nog één, dan heb ik er voor de Ornon nog maar één en voor de Oulles ook, is dat wel genoeg? De Ornon is 15 km en de Oules 700 hm, dat is bijna een uur in de finale, dat is nooit genoeg, ik neem er nu toch één, misschien kan ik nog wat eten oprapen bij andere renners, maar ik bel toch maar Henrike, die staat straks met Jeannette bij het keerpunt en die kan nog een extra gelletje uit de kast pakken, maar ze neemt niet op. Daar rijdt Frans, ik zit dus blijkbaar inderdaad goed, zal ik hem eten vragen, nee hij rijdt te langzaam, ik vraag Jo straks wel. Shit, de afdaling is niet technisch, maar wind-tegen-bijtrappen, dus ik win niks op Willard, het groepje wint op mij, ik moet rustig gaan rijden, dat is ook beter voor mijn suikers, blablabla, hou op. Ik moet mezelf niet gek maken, maar ja, dat is leuk bedacht, ik bel Henrike nog eens, weer geen gehoor, wat is dat nou voor een wielervrouw van niks, nou ja, dat is ze ook niet, het is mijn ex, ik neem nog een gelletje, daar is Diek, ik rij ’m voorbij maar hij komt terug in mijn wiel om me te informeren: Er zijn er nog twee vooruit, ik denk Ja, boeie, ik rij hier voor de eindwinst. Ik realiseer me dat als renners die ik nu inhaal lekker kunnen babbelen, er iets mis gaat, en met hem in mijn wiel ga ik ook nog harder rijden dan ik wil. Ik kijk om en ja, daar zijn ze. Ze rijden met tien man op een pesterige 300 m nog 10 km achter me aan, ik doe rustig aan, maar ik weet: je pakt toch meer wind. Als ze me inlopen zijn we op de Ornon, ze zijn nog maar met vijf. Willard demarreert gelijk, ik pareer zijn halfslachtige poging direct. Hij zegt: Gaan we nu schaduwtje spelen? Ja, hallo, wat dacht jij dan? denk ik, maar ik zwijg. Eigenlijk had ik hem natuurlijk vriendelijk moeten toelachen, maar dat zat er echt niet meer in. 

 

Overgave?

Ik voelde wat ik al wist: de kracht is helemaal weggelopen uit mijn benen. Nee, erger, ik ben misselijk. En dat betekent eigenlijk: over en sluiten. Heb je nou van de paniek verdomme weer te véél gelletjes gegeten, prutser dat je bent? Willard drinkt. Ik weet dat mijn bidon leeg is, maar ik doe alsof ik ook drink. We passeren Jo. Mijn ingecalculeerde reddingsboei. Ik laat me uitzakken: Heb je nog wat eten? Ik krijg een reep. Getver, een reep, nou ja, hij redt dus wel mijn koers, als ik die reep tenminste ergens naar binnen kan werken zonder over te geven. De rest heeft het niet gezien. We komen op de Ornon boven: Willard, Gerard, Mart en ik. Ik doe nog maar eens of ik drink. Ik kan ook niks meer wegkrijgen aan eten. Gerard smijt zich in de afdaling, ik ga hem gewoon volgen, in de hoop dat de misselijkheid verdwijnt. Maar jongens, ik dacht dat ìk hier de daler was… Wat rijdt hij waanzinnig mooie bochten... Ik moet fors bijtrappen na gemene bochten, dat is niet de bedoeling. Maar Gerard is ondertussen wel de tweede redder van de dag. Want Willard gaat zo fiks tijd verliezen. En hij heeft stiekem toch ook de achtervolging naar de Ornon gedragen, en zo ook al extra Joules verstookt, hoop ik.

 

Enfin, aan de beklimming van de slotklim, de Oulles, kan ik maar beter zo weinig mogelijk woorden vuil maken. Het was niet fraai. Een optocht van zombies met tussendoor vrolijke fladderende vroegstarters voor de etappezege. Sietse komt opeens als een speer weer voorbij. Ik moet Gerard laten gaan, omdat ik gewoon niet meer weet wie ik ben. Ga ik toch nog honger krijgen? Of word ik weer misselijk? Lig ik op een hoop? Ik weet de antwoorden eigenlijk wel, het is verloren. Willard komt dichter en dichter. Als hij er is ga ik proberen te volgen, maar als hij echt wegrijdt dan ga ik stoppen. Echt, dacht ik, ik wil niet meer. Loser, hoezo niet, als je ooit kan winnen is het nu?! Jamaar.... Ik heb geen idee hoe vaak zich deze gedachte zich herhaalt.

 

Absolutie

In de wielerhemel kijkt Fignon met afgrijzen toe. God, zeide hij, hij heeft gestreden, hij heeft smartelijk geleden, wat wilt U nog meer? Moet dan echt alles volgens Uw ooit eens uitgetekende plannetjes? Zoals daar, op de Champs Élysées? Met die Yankee, met zijn Yankee-kindertjes en zijn bizarre Yankee-roze petjes? Of, piepte Frank, ietwat eufoor, uit zijn hoekje met Stilnoxjunks: zoals toen in Verona, weet U noch? OK, OK, zeide Hij. Maar hé, ik wil geen arrogante shit, en zeker geen voluntaristisch kletsproza in dat Trappistenblaadje. Zodra hij over de meet komt, mag hij doodvallen... High five!

 

Enfin, de rest is geschiedenis. Willard haalde me in, maar kreeg kramp, nèt voor ik wou afstappen. Ries won daar, op de Oulles, Gerard was er de winnaar van de zombies, klimwonder Sietse was derde, ik was de eerste van de overledenen. Willard werd keurig vijfde en in het Algemeen Klassement bleef de top drie zoals hij was. Bart was de derde redder van dienst. Iets van chips, iets zouts, stamelde ik op zijn vraag of ik nog een laatste wens had. Zijn zoutjes vulden mijn lege karkas weer met levenstekens.

 

Weerlegging

De koers is niet dood. Ik ben blij dat er zo veel van de manoeuvreerruimte die ik mezelf had wijsgemaakt vandaag voorbij is gekomen. Jongens, wat is wielrennen toch spannend. En moeilijk. 

Ook mèt die gewraakte vermogensmeter. 

Ik zie nog maar één nadeel: het ding is voor iedereen een trainingsimpuls van formaat...

Dankbaarheid

Het was onwijs gezellig. Met alle usual suspects in tentjes en huisjes op de camping.

Mart die ’s avonds met Bert en Willard vrolijke tochtjes maakt langs de gelederen. Het was fijn dat het weer kon, na het akelige ongeluk van Joanne. Fijner was dat ze er gewoon weer bij was. Unreal was dat ze daarbij een heel peloton aan mannen achter zich liet. Ik durf nu ook gewoon weer te zeggen dat dit naar meer smaakt.

 

Willard was niet alleen een geduchte concurrent in woorden en daden, maar moest alles ook nog eens organiseren. Soms tot ’s avonds laat. Dat organiseren is weer geweldig gelukt. Met een paar terechte interventies om onnodige risico’s te vermijden. Hulde.

 

Zijn bekoorlijke assistent Jan Maarten was er gelukkig ook, met zijn vrolijke familie.

 

En Henrike, door wier gezelschap de beloofde vreugde ook echt vrolijk was.

 

Dat Jeannette en Jan Repko ook in het onvolprezen Hotel Le Milan zaten, het hotel zèlf, en de schoonheid van La Meije droegen bepaald bij aan die vreugde. 

 

Djoen Tong Liem

Glimmend van oor tot oor