Verslag GP Ger Hermans 2017 JM

Jan Maarten en Mart komen over de streep in de GP Ger Hermans. FOTO KLAAS FOPMA. (Klik op de foto voor meer.)

HET ELEMENTAIRE DEELTJE VAN HET KWAAD

 

Verslag GP Ger Hermans 2017

Ik weet niet precies waarom, maar ik lees veel over de twee Wereldoorlogen. Vooral het ‘fout’ zijn in de oorlog boeit me. Vragen als: is er nog een geweten als het er echt op aankomt? Hoe zou ik me gedragen in een dergelijke situatie? Zou ik een Joodse familie in mijn kelder laten schuilen? Met het risico dat ik daarvoor wordt gefusilleerd? Of: zou ik NSB’er zijn geweest? Gezwicht voor de carrieremogelijkheden die de nazi’s boden zoals in de film Mephisto? Historici buigen zich al bijna een eeuw over deze vraag van goed en fout. De vraag leek onoplosbaar. Maar toen was daar de Grote Prijs Ger Hermans. 

Wat gebeurt daar, op zondag 24 september? Dit: de benen zijn niet goed. Het seizoen is ten einde. Septemberdip. Ziekig. Voor de show, en voor de grinta, probeer ik toch een paar keer weg te rijden. Maar een demarrage van Marlin kan ik al niet bijbenen. Wel kom ik anderhalve ronde lang in een mooie kopgroep met wederom Marlin en Mart. Onthoud die naam, want hij vormt de sleutel tot dit verhaal. 


Helaas blijkt al snel dat het achter ons niet breekt. Het is duidelijk dat de politieke partij die maar één programmapunt heeft, namelijk dat elke kopgroep subiet om zeep moet worden geholpen, vandaag de absolute meerderheid heeft. Dus toen ben ik halverwege de wedstrijd maar een fijn sigaretje gaan roken achterin. Daar is het altijd supergezellig met bourgondiers als Mart, Bas, Mike, Leendert en ik. 


Maar hoe gaat het in de politiek? Hoe ging het in Rome? De heersende politieke cultuur verliest langzamerhand zijn vat op de menschen. Het peloton wordt overmoedig. Dus kom ik zowaar, met een versnelling als een slak, voor het peloton te hangen. Tot mijn grote vreugde sluit even later Mart aan. Mart ja, van net. Mijn Brother in Arms met wie ik de koppeltijdrit won. En met wie ik twee keer eerder dit seizoen in de beslissende kopgroep zat waarna ik hem twee keer versloeg in een sprint a deux. Als het die naam mag hebben. Ik kan niet sprinten, maar Mart gelukkig nog minder. 


Dat scenario willen we dit keer niet weer schrijven. Daar lijkt het ook niet op aan te komen, want Mart is sterker, heeft langere beurten en zakt tijdens zijn beurten niet in. Zoals ik. Ik ben alleen maar aan het lijden. Denk alleen maar: ‘ik kan niet meer, dit is helemaal niks’. Laat ik alles in het werk stellen om er in ieder geval een tweede plek uit te slepen. Het lijkt me namelijk niet aannemelijk dat Mart weer met mij naar de finish zal rijden. Het is immers niet uitgesloten dat ik, ondanks mijn vormpeil, voor de derde keer de ‘sprint’ zal winnen. Zijn beste kans op winst is: mij af te schudden. Dan is mijn lot bezegeld. Als eenzame renner ben ik dan binnen een minuut een vogel voor de kat en eindig ik roemloos in de achterhoede. Ook lijkt het me gepast om hem te belonen voor ons eerdere beulswerk. 


Zo rationeel ging het allemaal niet in het echt. Zoals geen maatschappelijk proces zich rationeel voltrekt. Dit is een reconstructie achteraf. Wat ik wel weet is dat ik mezelf opeens hoor zeggen: ‘jij mag hem hebben’. ‘Wat?’ zegt Mart. Ik zeg: ‘jij mag deze wedstrijd winnen’. En hij knikt. Ik zeg nog net geen ‘lieverd’.


Dus Mart doet nog wat langere beurten en ik nog wat kortere. Ik houd het tempo nog nauwelijks boven de veertig. Bij elke trap moet ik mezelf vermanend toespreken: ‘niet alleen duwen op de pedalen, maar ook trekken. Toe maar, het is zo voorbij’. l’Histoire se repète: we worden bijna verzwolgen door het peloton. Nog wat dieper in de reserves. We worden toch niet verzwolgen door het peloton. De winnaar is onder ons. 


Tot zover geen revolutie. Geen opstand (of een kleintje dan, van twee harkerige wielrenners die tegen de heersende belangen ingaan, maar allemaal binnen de wet). Zeker geen machtsoverdracht of wat dan ook. Want nog steeds zijn de sprintkanonnen de heersende klasse. Gewoon een kleine rimpeling in de geschiedenis.


Bij de afdaling van het viaduct doe ik wat ik heb beloofd. Ik ga op mijn stuur liggen en breng Mart naar de meet, een paar honderd meter verderop. Zo rij ik hem naar de overwinning. Denk ik. Het kwaad is dan nog niet in me neergedaald… We komen op het rechte stuk. Alles volgens schema. Ik verwacht hem nu elk moment met een versnelling a la Mart langszij. Maar… Niets. Ik denk nog even: mag ik misschien toch? Heeft-ie kramp? Ja, dan mag ik vast wel. Ik kijk achterom. Zie nog steeds zijn schaduw. Oke. Maar dan opeens zie ik de meet vlak voor me. En dan gebeurt het. Of tenminste, zo voelt het. Iets neemt bezit van me. En dat ‘iets’ is het elementaire deeltje van het Kwaad. Drie fietslengtes voor de streep. Meer is het niet. De Paleolitische barbaar in me doet zijn werk. Mart moet vlak naast me hebben gezeten. Dat herinner ik me niet. Gewoon vol doorgefietst. Niets ingehouden. Bammmmm. 


En zo kom ik als eerste over de finish. Met een wiellengte voorsprong. 


Mart is begrijpelijkerwijs woedend. ‘Dit kan echt niet in het wielrennen.’ Ik kan niets anders uitbrengen dan ‘sorry’. Dit klinkt wel heel lullig. Mart knijpt vervolgens resoluut in de remmen en draait om. Ik voel me alsof ik wakker word na een drankovergoten nacht waarin ik gek hebt gedanst en een ruzie met m’n vriendin heb uitgelokt die ik veel te hoog heb laten oplopen. Zo’n  moment dat sorry niet meer helpt. “Ich habe es nicht gewusst” auch nicht. Ook niet, bedoel ik. Mensen komen naar me toe om me te feliciteren. Ik kan alleen opbrengen van ‘neen, ik heb hem gestolen. Dit klopt niet’.


Maar wat gebeurde er nou in die split second? Ik weet wel wat me níet bezielde. Ik dacht niet: This is once in a lifetime: the Grand Prix Ger Hermans! Neen. Ik dacht ook niet aan het veroveren van de Wereldbeker. Ik stond immers met vijf punten achter op Jan op een mooie tweede plek. Ik voelde wel iets ondefinieerbaars dat uit te drukken is met ‘graag of niet’. En het werd ‘niet’. 


Wat het was? Instinct? Moordzucht? Het lag in ieder geval niet in de regionen van de hersenen waar je liefdesleven wordt gereguleerd. Het is dezelfde kinderachtige reflex die je automatisch doet grijpen naar de grootste koek. Je doet het zelf, maar denken is er niet bij. 


Wat doe je dan? Je zoekt troost. Bij je mederenners. Maar die krijg je niet. Willard strooit alleen nog wat extra zout in de wond. Hij vertelt dat hij me 15 jaar lang zou hebben dwarsgezeten met het wielrennen na zo'n voorval. Sterker nog: Leendert heeft hem het 15 jaar geleden hetzelfde geflikt en die strijdbijl is nog steeds niet begraven. Bij Jan, maar die vindt dat dit bij wielrennen hoort. Bij Mart, maar die neemt de cola die ik voor hem kocht niet aan. Was ook wel een erg goedkoop goedmakertje. Bij mijn vriendin dan: ‘Waar was je ook alweer? Bij de cross?’


Ja, er was een verklaring. Achteraf, toen Mart zijn woede even opzij had gezet, vertelde hij dat hij net iets te veel had gegeven. Hij kwam op weg naar de meet gewoon niet meer langs me. Ik had dus even moeten inhouden. Maar waarschijnlijk versnelde ik juist in die laatste drie meter. Volgens Klaas, die aan de finish een prachtige foto maakte, sprintte ik niet. Maar hield ook zeker niet in. 


Mijn vriend Mark, ooit een begenadigd voetballer, reageerde met: ‘daarom vind ik die wielersport ook geen sport. Dat je überhaupt de winst verkoopt, daar kan ik niet bij. Moet je voorstellen dat Feijenoord voor de wedstrijd 100.000 euro aan ADO schenkt als ze mogen winnen.'


Hij heeft wel gelijk. Want daar begint het mee. Waarom een koers verkopen? Het was de uitweg uit mijn lijden. Ik zat zo kapot. Elke seconde in koers was er een te veel. Het rondje van 2,5 kilometer leek steeds langer te worden. Het viaduct werd buiten-categorie. Maar waarom dan de winst uit handen geven? Dat is dom. Lijden hoort bij het wielrennen. Dat hoeft niet perse te betekenen dat je slechte benen hebt, maar dat je niet genoeg wilskracht hebt om te winnen. De slachtofferrol die je aanneemt, dat is wat er mis aan is. Je kan koersen ook zo zien: Iedereen is kapot en degene die het minste zelfmedelijden heeft, wint.


Ik won, maar hoe. De wrange nasmaak zal niet makkelijk zijn weg te spoelen. Enfin, zo is het gebeurd. Ik heb geschoten. De kogel vloog door de kerk en voordat ik er erg in had zat-ie in Mart. Het was een crime passionel, want van voorbedachte rade was geen sprake. Maar evengoed is-ie gewond.


Maar wat leer ik er van? Het Kwaad is het Kwaad. Juist niet door na te denken, maar door volledig niet na te denken. Het doet zijn werk ongemerkt. Boem. Was er wat? En je hebt geen excuus. Je bent er zelf bij. Je doet het zelf. Je bent een lul. Als het er op aan komt ben je een lul.


De historische gevolgen zijn natuurlijk niet te overzien. Het koningskoppel, dat gezamenlijk vier overwinningen op zijn conto kan schrijven is vermoord. Het sprookje is uit. 


En ik ben toch fout in de oorlog.


Jan Maarten Deurvorst

Verslag GP Ger Hermans 2017 Mart

Mart en Jan Maarten bij de bel voor de laatste ronde. FOTO KLAAS FOPMA

WIE EEN KADO GEEFT MOET HET NIET ZELF UITPAKKEN

Verslag GP Ger Hermans 2017


Je zou denken dat ik met een handvol gemiste, dan wel verprutste winstkansen, mijn portie deceptie voor dit seizoen wel had gehad. Maar de slotkoers van dit jaar – de Grote Prijs Ger Hermans – had nog een verrassing in petto die de voorafgaande tegenslagen ruimschoots deed verbleken. 

Het begon nog rooskleurig. Om het seizoen toch nog in majeur af te kunnen sluiten, had ik mijn zinnen op de GPGH gezet. Tijdens de laatste woensdagavondwedstrijd nog mooi de benen kunnen testen. Daar was niets mis mee. Die zouden er zondag weer staan, klaar om te vlammen. Dan moest ik me die dag wel een tijdje gedeisd houden. Te snel de lont in het kruidvat steken is spelen met vuur. Dat kan je duur komen te staan. 


In het eerste deel van de koers houd ik me dus voornamelijk achterin op. Pas na een klein uur begin ik me serieus met de strijd te bemoeien. Marlin, Jan Maarten en ik doen een poging om aan de groep te ontsnappen. Dat lukt één of twee ronden, daarna worden we teruggepakt. Geen nood. Ik ging nog niet voluit. Het was meer om lichaam en geest even op scherp zetten. Ik moet nog wat geduld hebben. 


Eigenlijk houd ik niet van dergelijke wacht-wedstrijden. Je hebt Trappisten die zich zonder blikken of blozen de hele koers kunnen verstoppen om dan in de laatste honderd meter genadeloos toe te slaan. Het is niet mijn manier, maar ik heb er wel bewondering voor. Ik mis die koelheid. 


Met nog een paar ronden te gaan, zie ik plots Jan Maarten nog een uitlooppoging wagen. Het lijkt mij voor een alles of niets-demarrage nog iets te vroeg, maar als iedereen zijn benen stil houdt verander ik van mening. Ik versnel en sluit bij JM aan. Daar zitten we weer. Voor de derde keer dit seizoen met z’n tweeën in de finale vooruit. Ik kan een lachje nauwelijks onderdrukken. Ik hoor de anderen al denken: ‘Gaat die sukkel van een Dominicus zich nu voor de derde keer op rij als een beginneling te grazen laten nemen? Zal toch niet waar zijn!’ Ik kan ze gerust stellen. Dat gaat Dominicus niet doen. Ik zie glashelder voor me wat me wel te doen staat.  Meerijden tot we enigszins veilig zouden zijn en dan geen meter kopwerk meer doen. Al nadert orkaan Imra met rasse schreden Sloten, dan nog ga ik JMs achterwiel niet loslaten. En als hij vervolgens ook zijn benen stil houdt, dan is dat maar zo. Liever ingelopen worden en achterin eindigen dan nogmaals tweede worden. Over mijn dead body. 


We zijn echter amper onderweg als JM ineens zegt: ‘Als we vooruit blijven, is-ie voor jou’. Kijk, dat verandert de zaak. Ik ben weliswaar geen fan van dit soort toezeggingen (voor een overwinning dien je te strijden, cadeaus geef je maar aan jarigen), maar om dit aanbod nu zonder meer af te slaan vind ik ook wat te principieel. Ik vraag me echter wel af waarom JM zo snel met dit voorstel komt.


Heb ik met mijn eerdere schrijven zo’n gevoelige snaar bij hem geraakt dat hij nu direct voor Barmhartige Samaritaan wil spelen? Of is hij niet goed genoeg en hoopt hij zo toch een ereplaats veilig te stellen? Het kan me eigenlijk niet schelen. Ik wil winnen en – dat heb ik zojuist gehoord – ik ga ook winnen. Heerlijk, zo’n zekerheid in een turbulent wielerleven.    


We werken een ronde of twee, drie eendrachtig samen. Ik ben wat sterker, mijn tempo ligt iets hoger en mijn beurten zijn iets langer, maar een kniesoor die daar een punt van maakt. Bovendien: met winst in het vooruitzicht kun je net wat extra’s. We gaan de laatste ronde in. We hebben nog steeds een voorsprong, maar om nu te zeggen dat de koers gelopen is, nee. En Jan Maartens motor begint serieus te haperen. Als ik nu in zijn wiel ga zitten zijn we eraan voor de moeite. Ik voel dat ik sterk genoeg ben om hem hier achter te laten. Even gas geven en weg kwelgeest. Maar ik doe het niet. Ik denk: als ik nu versnel red ik het wellicht in mijn eentje, maar wordt JM gegarandeerd opgeslokt. Kan ik dat mijn fietsende weldoener aandoen? Ik weet het antwoord, geef gas en neem hem op sleeptouw. Af en toe neemt JM nog over, maar meer als formaliteit. Het gebeurt omdat het zo hoort, niet omdat hij nog kan. Ik blijf stoïcijns doortrappen. Geen van de spaarzame haren op mijn hoofd denkt aan een ander scenario dan de volle buit. Een belofte (hoe onnodig ook), is immers een belofte. Daar ga je niet mee sollen.


We harken ons voor het laatst het viaduct over. In het verslag van JM lees ik dat hij vanaf dat moment de kop neemt en me naar de meet brengt. Mijn lezing is iets anders: tijdens de afdaling rijd ik nog steeds op kop en houd dat vol tot aan de laatste bocht. Ik heb alles gegeven en ben kapot. Maar de missie is geslaagd. Het gat is niet meer te dichten, we blijven vooruit. Ik positioneer me achter JM. Hij mag het laatste stuk doen en ik kom net voor de streep achter hem vandaan. Dat is iets geloofwaardiger dan dat ik van kop af van hem win. Een presentje moet je mooi verpakken. JM legt zich plat en trekt nog even flink door. Tsjonge, ik dacht dat hij stuk zat. Waarom zo hard, we zijn heus veilig? Ik moet mijn uiterste best doen om bij hem in de buurt te blijven. Shit, hij brengt het wel erg overtuigend. Ik ploeter me tot halverwege zijn fiets en verwacht dat hij nu zal inhouden. In plaats daarvan lijkt het wel of hij nog iets aanzet. Het is ruim genoeg om me voor te blijven.


Je zou het wellicht niet zeggen, gezien de wijze waarop ik tijdens en na de koers soms van leer trek, maar eigenlijk ben ik een erg goedgelovig iemand. Ik ga uit van het goede van de mens. Volgens mijn liefje soms op het naïeve af. Ik was dan ook na afloop werkelijk met stomheid geslagen, eerder onthutst dan boos. Sommigen vinden dat dit bij wielrennen hoort. Sterker: dan je op zo’n manier aantoont dat je het metier beheerst. Ik niet. Ik kan vloeken en tieren, maar bedriegen is mij een stap te ver. Wellicht een kwestie van smaak.


Het is evident dat Jan Maarten spijt heeft. In zijn bijdrage gaat hij diep door het stof. En hoewel ik echt meende een laatste aanzet te hebben gezien, wil ik ook nog aannemen dat er geen opzet in het spel was. Maar het kwaad is wel geschied.


En in wezen is het simpel: een belofte kom je na of niet. JM heeft wellicht niet bewust voor die tweede optie gekozen, hij heeft er wel naar gehandeld. En dat is wat uiteindelijk telt. Ik probeer mezelf te troosten met de gedachte dat het maar een wielerwedstrijdje betrof, nota bene op een niveau van niks. Maar het helpt nog niet echt. Ik ben (even) iets anders verloren.


Mart Dominicus