Verslag 3e Voorjaarswedstrijd 2018-a


BETER ÉÉN VOGEL IN DE HAND...


Verslag 3e Voorjaarswedstrijd, 2 mei 2018

 

‘Verdomme,’ kraste hij verbolgen. ‘Het is uit met de rust in het bos.’
Er werd onder hem gerommeld in het witte hok, niet ver van dat gebouw waar de vuilnisbakken soms uitpuilden van de bananenschillen. Het is weer zo ver. Vreemde vogels in het bos.
Hij dook dieper in zijn kraag. Met argusogen keek hij over de rand van zijn verblijfplaats.
Het was elke keer hetzelfde schouwspel. Vogels met felle kleuren trokken zijn bos in, met allemaal rotzooi tussen hun poten, alsof ze een nest wilden bouwen. Eerst kwamen er een paar en daarna een hele zwerm. Veel mannetjes. Zij hadden kale poten en een zwarte-witte geblokte tekening op hun rug. Duidelijk zomergasten.
‘Bespottelijke beesten,’ kirde hij in zichzelf. ‘Er plakken eierschalen op hun hoofd, alsof ze hun nest niet goed poetsen. Ze hebben oud schroot tussen hun poten waardoor ze nooit fatsoenlijk kunnen opstijgen. Veel te zwaar. Ze doen niks anders dan als een gek rondjes vliegen, laag over de grond, zonder echt hun vleugels uit te slaan, zonder iets te vangen. Geen plan, geen prooi. En dan gaan ze weer weg. Het is van de gekke.’
Dit keer was er zelfs één vogel bij met een koffertje. Door de deuropening in het witte hok zag hij hem zenuwachtig in de weer met een apparaat op de tafel. De vogel deelde allemaal rode ringen uit aan de andere beesten. Eenmaal buiten het hok deden ze die ringen om hun poten of klikten ze vast aan hun schroot.
‘Lafaards!’ dacht hij. ’Ze laten zichzelf gewoon ringeloren, zonder zich te verzetten… Ze zijn er nog trots op ook. Zo diep was hij gelukkig nooit gezonken. Je gaat een jager toch niet vertellen wie je bent? Hij stierf liever onbekend.’

Zoals altijd stelden de vreemde vogels zich op naast het witte hok. Het was kennelijk het moment om te vertrekken, maar echt het bos verlaten deden ze niet. Vlak bij het witte hok stond de eerste groep te wachten. Het waren vogels van diverse pluimage. De een was zo fris als een hoentje. De ander zo doof als een kwartel. Je had er ook hippe vogels bij. Zij voelden zich duidelijk vogelvrij ten opzichte van de groep vogels die zich schoorvoetend daarachter opstelde. Aan de veren herkende men deze vogels. Zij hielden meer van borrelnoten; zij waren iets slonziger en gingen altijd iets minder snel. Onderling hadden ze zichtbaar plezier in wat ze aan het doen waren. Bij de voorste groep werd niet zo veel gelachen. Dit groepje bestond uit haantjes die bij het witte hok een beetje chagrijnig voor zich uit tuurden.
Eén haantje sprak altijd de groepjes toe, voordat ze gingen vertrekken. En plotseling vlogen ze dan het bos in, tegelijk. Ook nu weer. Nu was het even wachten want ze kwamen over een paar minuten aan de andere kant weer langs vliegen. En ja hoor, daar kwamen ze weer. Zo ging het altijd. Ze vlogen inmiddels netjes achter elkaar, over het asfalt dat als een riviertje door het bos slingerde.
Hij voelde wat beweging onder zich. Een van zijn kuikens begon in zijn buik te pikken. Het was etenstijd. Het werd onrustig in zijn nest.
‘Kop houden, stelletje veelvraten,’ kraste hij nu luid. ‘Jullie hebben net een paar veldmuisjes gehad. We wachten eerst op wat die gekke vogels in het bos gaan doen. Het kan altijd dat er één of andere pechvogel het niet kan bijhouden en plotseling alleen vliegt. Dan pak ik hem en hebben jullie weer te vreten voor een week. Zulke hoogvliegers zijn het echt niet. Ik lust ze rauw,’ snoefde hij stoer tegen zijn kuikens. ?Een beetje grootspraak was het wel want hij realiseerde zich dat het nog nooit gelukt was om zo’n pechvogel te pakken. Een paar weken geleden had hij op een zondagochtend nog een kleine zwart-witte vogel de grote groep zien verlaten omdat hij het niet bij kon houden. Toen het arme vogeltje moederziel alleen was had hij vanuit zijn boom de aanval ingezet. Maar het zwart-witte beestje had toch een harde kop gehad. Zijn klauwen gleden van die gladde eierschaal af. De pechvogel begon ook nog in het Limburgs te vloeken. Want elk vogeltje zong zoals het gebekt was. Daar was hij zo van geschrokken dat hij hem maar had laten gaan.
Het leek erop of de zwerm bij elkaar bleef vandaag. De vogels formeerden zich steeds netjes in een soort halve V, alsof ze de oceaan overstaken om te overwinteren. Steeds liet het haantje-de-voorste, na een tijdje met zijn kop in de wind gevlogen te hebben, zich terugzakken en gaf de volgende vogel de beurt. Ook was er een groepje slimme vogels die achterin bleef hangen en de anderen het vogelwerk lieten doen. Dat was ook wel logisch want waarom zou je als een kip zonder kop gaan vliegen?

Hij ging er toch maar weer eens goed voor zitten. Zijn nest gaf prachtig zicht op het verloop van de jacht. Zijn kuikens hielden zich gelukkig stil. Hoe vaker hij naar zo’n vlucht keek, hoe minder hij ervan begreep. Het was een raar spelletje dat die vogels speelden in het bos.
Zoals altijd probeerden er een paar dappere dodo’s, ondanks die zinloze samenwerking binnen de rest van de groep, met een paar anderen hard weg te vliegen. Zij gingen dan een eindje voor de grote groep kop over kop vliegen. Maar niet dat ze vervolgens alleen op hun doel afgingen. Nee, ze hadden elkaar nodig dus ze bleven bij elkaar. Heel anders dan hij gewend was om te jagen. Hij ging altijd een beetje boven een weiland hangen, goed kijkend of hij een muisje zag scharrelen beneden in het weiland, om zich dan als een baksteen te laten vallen. Hoppa… Altijd prijs.
Bij deze vreemde vogels had je alleen maar pechvogels, leek het. Ook dit keer vloog er een vogel met zware vleugenklappen weg. Het was een blauwwit gestreept beest met een dikke kont. Hij bleef op honderd meter voor de groep vliegen. Hij was niet echt een slimme vogel want dat zou hij maar een rondje of twee volhouden. Vervolgens kwamen twee vogels hem helpen door over te vliegen. Met zijn drieën draaiden ze netjes kop over kop een paar rondjes. Maar toch vlogen die drie niet hard genoeg want de grote meute kwam weer dichterbij. Een terugkerend patroon van zo’n vlucht: er zijn drie vogels weg, maar geven zij alledrie wel genoeg gas om de zwerm voor te blijven? Of is er toch een vogeltje aan het sparen voor de finale vlucht? Of kan hij werkelijk niet harder dan op dat moment gewenst is? De ene vogel loert naar de andere en denkt: ‘belazer jij nu de kluit of kun je werkelijk niet harder vliegen?’. Zoiets wordt nooit duidelijk. En ja hoor. Daar houdt alweer een van de drie vogels zijn vleugels stil. Einde vlucht. Geen prooi. Lege klauwen. Vogeltjes die zo vroeg zongen zijn voor de poes. Waarna weer een paar andere vogels het gingen proberen, alsof ze de vorige uitkomst van de zinloze vlucht alweer vergeten waren. Alsof zij wilden zeggen: niet elk schot is een eendvogel. Je moet blijven proberen. En dan liepen ze weer in dezelfde strik.
Alweer begon een van zijn kuikens in zijn buik te pikken. Hij moest nu snel een spitsmuisje of twee gaan vangen anders kwam de boel daar in opstand.
Wat zijn die vogels op hun rollend ijzer daarbeneden toch een sukkels, dacht hij. Stel nou dat ik zo zou jagen? Eerst wachten op een andere vogel, hopen dat hij wil meevliegen en dan met zijn tweeën op de prooi afvliegen en dan ook nog de kans hebben dat die andere vogel er met de buit vandoor gaat? Dan zou toch geen enkel kuiken in het bos meer te vreten hebben? Gelukkig kan ik alles alleen en hebben mijn kuikens altijd te vreten.
Het groepje vreemde vogels gierde voor de zoveelste keer voorbij. Ze waren alweer een uurtje of wat aan het rondklapperen geweest, zonder maar iets te vangen. En nu was het kennelijk weer mooi geweest want bij het witte hok was wat tumult. Er verscheen een 1 op een bordje en er klingelde een bel. Dat was altijd het teken dat spoedig de rust zou wederkeren in het bos.
Dit keer gebeurde er iets ongewoons. Een vogel met een enorme rode kop reed een flink stuk voor de grote groep. De achtervolgers deden niets want deze vogel zou hoe dan ook ingevlogen worden, leek het. Zij bleven een beetje hangen. Toen spoot een vrij zware, blauwwit gestreepte vogel uit een onverwachte hoek naar voren, zonder dat iemand hem kon volgen. Hij sloeg een flink gat tussen hem en de groep. De blauwwitte vogel hield niet in toen hij de vogel met de rode kop tegenkwam. Integendeel: hij gaf nog wat extra gas bij het passeren. Hij dook de binnenbocht in en maalde een zwaar vleugelverzet rond. Hij keek achter zich en zag de achtervolgende meute ver weg. Tegelijkertijd voelde de ontsnapte vogel de kramp in zijn vleugels en schakelde een kransje lichter om een hoger vleugeltempo te draaien. Dat liep allemaal gesmeerd.

In de boom was het inmiddels hommeles. De kuikens pikten hem nu hard in de buik. Verdomme, dacht hij, ik moet iets te vreten halen want anders krijgen we opstand hier. Hij maande zijn kuikens tot de orde. Hij keek over de rand van zijn nest. Die vette kippenkont daar, met die zwarte schaal op zijn kop, dat wordt ons diner! Hij is alleen.
Een beetje gekunsteld, alsof hij moest optreden in een roofvogelshow, liet hij zich uit zijn nest vallen, sloeg zijn machtige vleugels uit en scheerde over het asfalt, op zoek naar zijn prooi. De blauwwitte vogel met dat stuk schroot tussen zijn poten was alweer gevlogen.
Hij vloog omhoog en volgde met zijn ogen het lint van asfalt dat door het bos slingerde. Hij vloog nog iets hoger. Daar zag hij hem eindelijk vliegen, al halverwege het lange, rechte stuk. Kennelijk had de blauwwitte vogel hem opgemerkt want deze vloog alsof zijn laatste vlucht geslagen had, schakelde in paniek op naar zijn kleinste kransje achter en ging op de pedalen staan. De snelheid gaf hem vleugels. De blauwwitte dikkerd voelde zich als een vogel zo vrij en was in een flits bij de laatste bocht.
Hij durfde niet dichter bij te komen en vloog iets omhoog voor een beter overzicht over het bos. Hij zag de blauwwitte vogel naar de finishlijn vliegen. Vol vertrouwen keek de blauwwitte vogel nog een keer achterom; ondanks het feit dat nog een andere vogel zich had losgemaakt uit de achtervolgende groep en op hem af kwam stormen, duwde hij zo trots als een pauw met zeven ogen, zijn schroot over de witte lijn. Die blauwwitte vogel van het eerste groepje, met die vette kippenkont, had gewonnen. Een succesvolle rondvlucht van 42 km/u. Ze hadden hem laten vliegen – wat een geluksvogel.
Teleurgesteld bleef hij boven het witte hok cirkelen. ‘Jongens,’ riep hij zijn hongerige kuikens toe toen hij in zijn nest landde, ‘we eten vandaag paardenbloemen. Dat is goed voor het milieu, dus ik wil geen commentaar’.

De Boze Buizerd