'Alsof een boer met een riek achter me aan zit...'


door:
Mart Dominicus


De vierde zomerwedstrijd was voor mij een memorabele. Niet alleen omdat ik nu eens een keer niet degene was met de meest verhitte reactie na afloop, die eer kwam met een straatlengte voorsprong toe aan Jan Repko, maar ook omdat ik in de schier eindeloze geschiedenis van het gaten dichtrijden weer een nieuw hoofdstuk kon toevoegen. Je zou zeggen dat je na zo’n 25 jaar koersen bij De Trappist wel zo ongeveer alle variaties op dit overbekende thema zou kennen, maar op 11 juli was ik warempel getuige van een gloednieuwe variant.

We schrijven de laatste ronde van de A-wedstrijd. Ik heb me de hele wedstrijd behoorlijk gedeisd gehouden. Deels uit onmacht. Het tempo lag dusdanig hoog dat een uitlooppoging voor mij vrijwel niet te doen was. Deels uit strategie. Wat heeft het voor zin om energie te steken in een ontsnapping die bijna zeker tot mislukken gedoemd is? Maar in zo’n laatste ronde ligt dat anders. Wie weet valt het even stil? Wie weet kun je net een tempo volhouden dat de rest ontmoedigt?

Ik waagde het erop. Als ik even later omkijk zie ik een renner uit alle macht het gat naar mij dicht proberen te rijden. Hij blijft een beetje hangen tussen mij en de groep in. Ik vraag me af wat deze renner (laat ik hem gemakshalve maar renner I. noemen; de I. van intelligentie) bezielt. Hij geraakt niet in mijn wiel, maar vormt wel een ideale springplank voor de sprinters die hongerig naderen. Halverwege het lange rechte eind voor de laatste bocht geef ik het op. Ik ben niet sterk genoeg om vooruit te blijven én ik erger me aan het rijden van I. Want wat je al van mijlenver zag aankomen gebeurt: zodra I bij me aansluit dendert de rest over ons heen. Ik word uiteindelijk 224ste en I 232ste. Goed gedaan. Maar het mooiste moest nog komen. Toen ik I. vroeg waarom hij als niet-sprinter zo verwoed achter me aanreed, kwam een wonderlijke aap uit de mouw: ‘Ik heb je niet op kop gezien.’

Zoals gezegd koers ik al een tijdje en heb ik de meest ingenieuze argumenten om een gat dicht te rijden voorbij horen komen, maar deze kende ik nog niet. Ik had te weinig op kop gereden. Alsof je bij een voetbalwedstrijd zegt: team A verdient te winnen, want zij hadden meer balbezit. Een nobel streven, maar ook tamelijk wereldvreemd. Zo won uiteindelijk Cisco Pels deze avondwedstrijd. Ik gun het Cisco van harte, maar ook hem heb ik niet op kop gezien. Waarom heeft I hem niet dwarsgezeten? Sterker: De Trappist kent een lange geschiedenis van winnaars die ik amper of nooit op kop heb gezien. Als I. dat tij wil keren, dan is hij voorlopig van de straat.

I. zelf reed daarentegen vrijwel de hele tijd op kop. Niet alleen deze avond, maar nagenoeg alle koersen waar hij aan deelneemt. Alsof degene die het meest op kop rijdt/balbezit heeft inderdaad de wedstrijd wint. Met echt versnellen heeft hij moeite, maar lekker vooraan doortrappen gaat hem goed af. Hij zou er zo de laatste bus mee kunnen halen. Maar de bus rijdt niet, het is een wedstrijd. En dan wordt de vraag: waarom rijdt hij steeds op kop? Voor wie? Heeft hij met z’n thuisfront afgesproken dat hij alleen mag meedoen als hij minimaal driekwartier op kop rijdt? Dat hij bij thuiskomt de prangende vraag krijgt: ‘En?’ Waarop hij met een gelukzalige blik ’52 minuten’ zegt. Ik sluit het niet uit. Het zou me ook niet verbazen als I op weg naar en van de koers ook op kop rijdt. Of als hij met z’n liefje gaat fietsen; lekker op kop! Waardoor haar na verloop van tijd ontvalt: ‘Tsjonge I., wat kun jij lang op kop rijden.’ I. als een kind zo blij.

Ik heb vroeger vaak heel aanvallend gereden, overigens zelden op kop, maar stiekem hoopte ik dat ik nu ik de 60 ben gepasseerd uit een ander vaatje kon gaan tappen. Wat bedachtzamer, wat meer calculerend. Maar dat zit er door I niet in. Op kop rijden, moet ik. Alsof een boer met een riek achter me aan zit. Rijden godverdomme! Het wielrennen volgens I. (van Intelligentie).