De kop is eraf (Verslag 1e voorjaarswedstrijd B.)

door: Hugo Bakker


Een priemende zon en gure noordooster vormden het decor van de eerste woensdagavond voorjaarswedstrijd van het nieuwe wielerseizoen. Ondanks deze onvriendelijke weersomstandigheden en het - voor de werkenden onder ons - uitdagende aanvangstijdstip, was de opkomst indrukwekkend. Van heinde en verre (denk: Polygoon-journaal) wisten zeker 50 Trappist-leden Wheelerplanet weer te vinden. Leuk hoor, allemaal grote kerels die als jonge jochies eindelijk weer lekker mogen buitenspelen. Als koeien die weer de wei in mogen.
De gretigheid spatte er dan ook vanaf in de B-groep! Een rondje rustig warmdraaien was er niet bij. De ene na de andere ontsnapping moest door de kop van het peloton onschadelijk worden gemaakt, daarbij geholpen door de smerige tegenwind op het lange rechte stuk en de beentjes die bij menigeen zo aan het begin van het seizoen nog niet goed genoeg voelden.


Ook op het tactische vlak (wat weet ik daarvan?) was het zoeken en proberen. Het kunstje van de broers Ard en Ruud, dat laatstgenoemde de (dikverdiende) winst in de Openingswedstrijd had opgeleverd, kwam dit keer beduidend minder lekker uit de verf, terwijl van het vaste voornemen van Ivo en mij, om ons rustig in het peloton te nestelen (om niet te zeggen: verstoppen) en ons pas tegen het einde van de koers met de kop te gaan bemoeien, ook volstrekt niets terechtkwam.


Een enthousiaste groep renners gepaard aan een stevig windje zorgde dus voor veel dynamiek, korte ontsnappingen en een onvermijdelijke sprint. Ding-ding-ding. Aangetrokken door Ivo (die in de veronderstelling verkeerde het peloton aan gort te rijden) en in tweede instantie Ruud (die net te vroeg aan het pieken sloeg), zag ik mijn kans schoon op zo’n 100-150 meter voor de laatste bocht.


Zo aan het begin van mijn wielerleventje, dat na enkele aftastende cyclo’tjes afgelopen najaar is begonnen met deelname aan de onvolprezen ACC, kan ik nog niet zeggen welke type renner ik ben. Een berggeit ben ik niet en tijdrijden lijkt mij ook niet echt op het lijf geschreven. Bij veldrijden viel een en ander al wat meer op z’n plaats en ook het kasseienrijden in de Ronde van Vlaanderen cyclo ging me afgelopen weekend best aardig af. 
Maar een sprinter?!


Testosteronbommen als Kittel, Greipel of Dylan Groenewegen als grote voorbeeld? Kerels met quadriceps als ballonnen, die zich met ware doodsverachting en onder luid gebrul van hun treintje naar de finishlijn katapulteren?


Moi?


Toen ik ook het wiel van Ruud zonder al teveel inspanning vond en nog niemand voorbij zag komen, dacht ik: f*** it, ik doe gewoon net alsof.


Sinds die heerlijke spurt eet ik vijf eieren voor het ontbijt, druk me driftig iedere ochtend op en quod me een slag in de rondte.


Tot grote hilariteit van het thuisfront, dat wel.