Het petje van Peter

Verslag 2e voorjaarswedstrijd B (mylaps

door: Hugo Bakker


Iedere heug z’n meug.
Waar de een zich tijdens het natte najaar en de koude winter laaft aan ZWIFT, Skillbike of soortgelijke virtuele fietservaring (zie het wedstrijdverslag van de Openingskoers van de hand van Ruud), ruilt de ander z’n beminde tweewieler om voor een paar klapschaatsen, terwijl weer een ander in die donkere dagen aan het beachracen slaat. Maar over de kwestie welke methode nu de beste voorbereiding behelst voor de FC Trappist voorjaarskoersen (waar het uiteindelijk allemaal om te doen is natuurlijk) lijkt steeds minder ruimte voor debat.

Niet alleen zijn veldrijders ‘MvdP’ en Wout van Aert nu de onbetwiste smaakmakers van de voorjaarskoersen, ook de wortels van grote namen als Zdenek Stybar (drievoudig wereldkampioen) en Peter Sagan liggen in de cyclocross. En wie herinnert zich niet Hennie Stamsnijder? (ikke, want ik was vier toen hij de WK-titel bij het veldrijden pakte...) Kortom, het bewijs stapelt zich op: de allerbeste manier om in de wintermaanden fit te blijven (of, zoals in mijn geval: worden) is zonder twijfel de edele sport van het veldrijden. En voor ons betekent dat: deelname aan de Amsterdamse Cross Competitie. Veertien opeenvolgende zondagen door modder en zand ploegen en over grasveldjes glibberen, steeds bij een andere club en telkens met een min of meer ongewijzigde groep van enkele honderden enthousiastelingen, van wie de toppers een indrukwekkend niveau op de mat leggen. Met als hoogtepunt de door onze eigen Trappisten georganiseerde Twiske Cross. Een uur onafgebroken in het rood, knokkend voor elke positie en de rest van de dag in spanning wachtend op de uitslag en foto’s.
Met die opbeurende, wat heet: opwindende gedachten hesen collega Ivo en ik ons afgelopen woensdag in het spiksplinternieuwe (door Reessjurts ontworpen) rood-zwart-witte ACC-tenue voor de Tweede Voorjaarswedstrijd van FC Trappist.
Leuk, allebei hetzelfde pakkie, maar het grote nadeel van die identieke uitdossing was dat iedere vorm van samenwerking subiet werd onderkend en onschadelijk gemaakt. Ivo’s ontsnapping met Ruud was dan ook een kort leven beschoren, aangezien mijn pogingen tot subtiel ‘etteren’ in het peloton niet of nauwelijks vruchten afwierpen. En ook onze gezamenlijke ACC-vluchtpoging werd in de knop gebroken.

Deze tweede woensdagavondwedstrijd was overigens verre van saai en kenmerkte zich door grote tempowisselingen: het door Evert en Joost e.a. aangevoerde peloton greep met groot gemak vroege vluchters in de kraag maar liet zich vervolgens even gemakkelijk langdurig afzakken tot bijna gênante snelheden. Kennelijk gokte de meerderheid op een top-10 klassering in de eindsprint en hield zodoende de kaarten lang op de borst.
Totdat in de slotfase een viertal onder aanvoering van Niels ervandoor ging en het peloton lang op afstand wist te houden. Dat leek een geniale zet, want zelfs toen die vier feitelijk uit beeld verdwenen, gaf het peloton nauwelijks sjoege. Voor Ivo en mij en nog een enkeling een bijzonder onbevredigend scenario, zodat wij volle bak in de achtervolging gingen en op het laatste rechte stuk de tot drie man gereduceerde groep vluchters konden inrekenen.

Toch een massasprint dus.
Van de vorige koers herinnerde ik mij dat een sprint die vroeg, op het lange rechte stuk voor de bocht, wordt aangegaan, onvermijdelijk leidt tot een superscherpe en bijkans hachelijke laatste bocht. Was dat tijdens de eerste Voorjaarswedstrijd nog wel te doen, dit keer was de baan half natgeregend en (ondanks het hartverwarmende schoonvegen en -‘blowen’, top Erik, Djoen en Ruud!!) toch buiten de ideale lijn ruim bezaaid met droesem en viezigheid, en zou met 50 km/u de bocht induiken een hoog kamikaze-gehalte hebben. Zodat behoedzaamheid geboden was en ik allang blij was dat ik niet te elfder ure door een golf ‘verstoppers’ werd overspoeld. Die voorzichtigheid voor de bocht liet, tot mijn lichte verwondering, onverlet dat ik achter Gerard en Ivo als derde het laatste rechte stuk opkwam. Om vervolgens, tsja geen idee eigenlijk. Ik had het idee dat ik aardig leeggereden was door (meen ik) een hoofdrol bij het achterhalen van de gedemarreerden, ik kon de laatste paar ronden maar met moeite het wiel van m’n voorganger houden.
Gek genoeg zit er dan toch nog ergens een reservepotje voor de laatste paar honderd meters, waarin al die vermoeidheid naar de achtergrond wordt gedrongen en het hele lichaam zich in een woeste doch ritmische, bijna orgastische beweging naar voren katapulteert. Alsof de hele voorafgaande koers niet meer telt en ik uit het niets een Zetje krijg. Zo voelde het in ieder geval, het zal er vanaf de kant vast gemoedelijker hebben uitgezien.
Verguld met deze tweede zege in de sprint kijk ik alweer reikhalzend uit naar de volgende koers. (Dat zal toch niet weer in een massasprint eindigen..?). 
Tot over twee weken!!


En dat petje van Peter dan?
Och, da’s alleen van belang voor lezers die ook last hebben van een tikje bijgeloof zo nu en dan. Met A-rijder Peter heb ik een klikje sinds het CX clubkampioenschap waar we beiden zegevierden in respectievelijk de A en de B. Op een websitefoto van vorig jaar zag ik hem getooid met een zwart-wit geblokt FC Trappist petje. Of hij toevallig nog zo’n petje had liggen, vroeg ik hem dinsdagavond op de de app. Helaas, dat was een eenmalige oplage, luidde zijn antwoord. Tot ik mij woensdag in de keet vervoegde voor de inschrijving en Peter mij het bewuste petje in handen drukte.
We zullen het nooit weten, maar kreeg ik wellicht door deze mooie geste en het uiteraard onmiddellijk dragen van dat gave petje, op het laatst dat extra Zetje..