Vluchtpogingen van ‘usual suspects’

door: Hugo
(verslag Zandvoort B; mylaps) 

 

Het stond bovenaan mijn wensenlijstje voor dit eerste Trappistenseizoen: nee, niet Zandvoort winnen. Ja, dat natuurlijk ook (wie wil niet die slopende koers op het circuit eens winnen), maar hier bedoel ik: met een sterk groepje vroeg ontsnappen, hele rit mooi doordraaien en richting de meet allemaal met de billen bloot. Ik meende dat bij de openingswedstrijd van de A’s te hebben gezien en dat zag er verdraaid profi uit. Dat wilde ik ook! Maar bij de B’s was het tot nu toe ofwel laat ontsnappen en trappen voor wat je waard bent, ofwel een massasprint. Ook leuk, maar de dynamiek van zo’n handjevol sterke renners dat driekwart van de koers strak moet samenwerken om het peloton voor te blijven, dat leek mij wel wat.

Vraag was wel of deze dinsdagavondkoers zich daarvoor leende: dik anderhalf uur over een heuvelachtig maar bovenal winderig parcours: twee venijnige korte pukkels en een straffe noordenwind, 4 Beaufort als we buienradar moeten geloven. Veel verleidelijker ware het om de beschutting van de buik te zoeken en richting het eind eens te inventariseren wie de benen nog zou hebben voor een sprintje. Maar met een indrukwekkend deelnemersveld van 28 messcherpe B-rijders leek mij dat een onverstandige strategie. Van meet af aan vooraan meedoen dus en maar zien waar het schip zou stranden.

Na één, twee dappere doch tandeloze vluchtpogingen van enkele ‘usual suspects’, vormde zich op goed moment een kopgroep van vijf gevestigde namen  (Hildo, Theo, Ivo en de gebroeders Van Straten als ik mij niet vergis), waar Joop, Jack en ik ons aan het einde van het rechte stuk ternauwernood bij konden aansluiten.

“Ja!! Nú gas erop en mooi draaien!”

Dat bedoel ik dus, allemaal sterke renners die een gokje willen wagen en niet schromen de poten uit de mouwen te steken. Maar meer dan uur een (ook overigens niet te onderschatten) peloton voorblijven?

De samenwerking in de kopgroep was verre van ideaal, maar dat lag zeker niet aan de inzet van het achttal. Ieder pakte manmoedig zijn beurt, overgeslagen werd er niet en van enig linkeballen was in de verste verte geen sprake. Maar wat blijft het dan toch nog verdomde lastig om soepel, als één voortrazend organisme, de vaart erin te houden. Dat zal zeker ook te maken hebben gehad met de elementen. Waar je na de ene beurt rustig kon afzakken in de luwte of heuveltje af, eindigde een volgende beurt vol met de kop in de wind en dreigde de groep als een reddingssloep met gewetenloze stuurman uit het zicht te verdwijnen. “Gooi dat touw, help!”

Verder vereist soepel draaien kennelijk ook wel enige techniek en ervaring. Zo kreeg ik van Ruud het (terechte) verwijt dat mijn beurten te krachtig en kort waren, waarmee ik de rest zou slopen. “Oh sorry, ik zal erop letten”, zei ik. ‘Bedankt voor de tip voor de laatste ronden’, dacht ik..

Halverwege de koers werd duidelijk dat niemand zomaar zou kunnen wegrijden. Mooi om te zien ook hoe tegen het einde de kopgroep langzaam van kleur verschiet. Van samen tegen het peloton, naar samen voor ons eigen, naar ieder voor zich.

In de laatste ronden werden de eerste kermende klachten en proestende protesten hoorbaar. Voor mij aanleiding om een stukje fijnzinnige intimidatie door te voeren: een (zwaar gefakete) ontspannen slokje na een stevige beurt, een half reepje uitdelen aan de liefhebber (welke liefhebber dat vastgreep alsof ie de hele dag nog niets had gegeten) en de hele bups ‘in ieder geval te feliciteren met dubbele punten voor iedereen!’ Jolijt als pijnprikkel. Plaagstootjes, terwijl ikzelf natuurlijk ook op mijn tandvlees reed.

Zou het geholpen hebben? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat de allerlaatste ronde in mijn beleving alleen nog maar in het teken stond van overleven en vaart maken richting de eindsprint, waarbij de beste moge winnen. Toen Ruud op het een-na-laatste heuveltje aanzette, was dat ook mijn enige gedachte: goed, daar gaan we dan met z’n allen richting de laatste Tarzanbocht. Hup erachteraan dan maar, weinig keus. Ik begreep dan ook aanvankelijk niets van het jammerende “Aaah, kom óp nou!” in mijn richting, totdat ik achter mij keek en zag dat de rest moest passen en Ruud en ik zeker 10-15 meter hadden. “Oh, kom kom dan gaan we!” perste ik er nog uit en zo ploegden we kop over kop naar de meet. Potjandorie wat is zo'n laatste stukje op kop tegen de wind in dan nog zwaar, het voelde als 'slow motion'. Het was dan ook met moeite dat ik Ruuds wiel kon houden op het lange rechte stuk, maar eenmaal aangeklampt leek de sprint een zekerheidje. En viel het zwart-wit geblokte van mijn FC Trappistpetje inderdaad als eerste samen met zijn op het asfalt aangebrachte evenknie.

Wat een prachtkoers! Wat een fijne kopgroep. En wat een heerlijke finale...