In de geest van de renner

door: Jan Repko
(verslag dag 1-3, Meyrueis, 17-19 juli 2019)

 

Voorwoord
“Als je er geen verslag van schrijft dan kan je het net zo goed laten.” Bij de vorige jaarvergadering van de Fietsclub Trappist veroorzaakte deze zuinig uitgesproken woorden veel wrevel en onbegrip. Wilde Aad daarmee zeggen dat de driedaagse in de Ardennen door het ontbreken van een verslag niet besproken mocht worden op de jaarvergadering of het bespreken niet waard was? Was het hele evenement waardeloos geworden door het ontbreken van een verslag? Deelnemers en organisatoren waren verbluft, ontdaan en boos. Aad deed er verder het zwijgen toe.

Pas nu, na een half jaar, begrijp ik de filosofische diepte van de zin die Aad uitsprak. Want wat is de betekenis van heldendaden als er geen verslag van is? Wie weet nog van de heldendaden van de Germanen in het jaar 500 v Chr? Juist: niemand. Hebben de indianen voor Columbus nog wat meegemaakt? Geen idee. Ze hadden het net zo goed kunnen laten, want er is niemand meer om hun heldendaden te vieren of er lering uit te trekken.

De driedaagse etappewedstrijd in de Cevennen (aka de 3CV) mag niet hetzelfde lot ondergaan als deze prehistorische samenlevingen. Deze 3CV verdient een uitgebreid verslag met aandacht en tijd voor de beslommeringen van de organisatie en natuurlijk de wederwaardigheden van alle individuele deelnemers.

Het verslag dat je nu aan het lezen bent, is daarom niet anders dan een eerste aanzet. Ondanks de grote lengte van de tekst heb Ik belangrijke gebeurtenissen, zoals de kapotte derailleurs van Klaas, Bart en Peter en de diverse heroïsche gevechten om een plek te stijgen in het klassement, niet of nauwelijks genoemd omdat ik er slechts zijdelings van heb gehoord en ze geen grote rol spelen in mijn verhaal. Dit verslag zal daarom op sommigen, om het mild uit te drukken, enigszins gekleurd overkomen en de waarheid niet altijd recht doen. Mijn geheugen laat me soms in de steek en in mijn karakter zit enige pesterigheid en patserigheid die ik niet altijd kan onderdrukken. Daarnaast heb ik hier en daar toegegeven aan mijn fantasie en voelde ik de behoefte om zo nu en dan de voorkeur te geven aan de vereisten van een mooi verhaal boven de waarheid.

Om deze tekortkomingen te verhelpen, nodig ik alle aanwezigen bij de 3CV uit om mijn verhaal te aan te vullen, een polemiek te beginnen en vooral om hun eigen verhaal op papier te zetten en te publiceren. Ik verwacht dat de rijkheid van alle bijdragen zelfs bij Aad een glimlach op het gezicht zal toveren en wellicht denk hij dan: ”Het is echt gebeurd”.

 

De voorbereiding
Djoen is de meesterklimmer. Hij heeft de stijl en het lichaam voor de lange klim. Licht met lange spieren en een soepele tred. Op het vlakke is het een renner die niet diep kan gaan. Maar in de bergen transformeren zijn ambities hem in een harde bikkel. De winnaar van de FC Trappist AlpenTrippel had me gevraagd als zijn maatje voor TransAlp: een race van zeven dagen met lange ritten en veel hoogtemeters. De tijd van de tweede man telde. De eerste dag gingen we gelijk op. We hadden maar 1300 h/m te verteren. De tweede dag  was een forse rit van 3500 h/m en 140 km. De temperatuur steeg tot boven de 40 graden en ik viel na 120 km huilend van de kramp van mijn fiets. Pas na een uur drinken en gelletjes slikken kon ik voorzichtig doorrijden naar de finish. Ik wilde afstappen maar de EHBO man vertelde dat de bezemwagen nog wel vier uur kon duren en dat de het laatste stuk makkelijk was. Ik wist dat hij loog maar ik ben hem dankbaar voor zijn leugens.

Vanaf dat moment heeft Djoen me iedere dag liefdevol begeleid naar de finish. Door de warmte en de uitputting kon ik ’s avonds geen hap door mijn keel krijgen. Ik was een wandelend lijk en Djoen mijn verzorger. Alleen op de laatste dag liet hij zijn ambitie de vrije loop en eindigde prompt voor de beste dames. Ik was inmiddels wat hersteld en de temperatuur was ook een stuk lager waardoor ik die dag min of meer op eigen kracht thuis kon komen.

Djoen was de gedoodverfde winnaar van de 3CV. En dat vond hij zelf ook. Dat laatste begon me een beetje te irriteren. Zijn wattage dit, zijn wattage dat, hij zei zelfs dat hij zijn wattages niet op Strava zette omdat het andere deelnemers af zou schrikken. Ik begon te hopen op Koen, Bart, Huub of Peter. Djoen zag mij nog steeds als zijn belangrijkste opponent. Dat vond ik raar.

Na de TransAlp twee weken rust voor de start van de 3CV. Deze weken worden gevuld met fietsmoeheid en gesnotter. Op WhatsApp groepen wordt geanticipeerd op een broederstrijd tussen Djoen en mij. Plaatjes met twee wildemannen die elkaar bloederig verscheuren worden gedeeld. Ergens in de hoek van het schilderij staat een duistere figuur. Zal deze profiteren van de broederstrijd? Ik vind het maar niks al die verwachtingen waar ik niet aan kan voldoen.

 

Dag 1
Alle renners starten gelijk en degene die als eerste over de finish komt wint. Sommige lezers zullen denken: ja logisch. Maar dat is niet zo. FC Trappist is een bijzondere club. Voor meerdaagse wedstrijden is door Willard een ingenieus handicapsysteem ontworpen waardoor ook de slechtste renners een rit konden winnen. Mooi en lovenswaardig maar voor mijn beperkte rennersbrein ook onnavolgbaar. Sommige meer geslepen renners snapten het wel en zagen in het verleden mogelijkheden om na een gefingeerde ziek, zwak en misselijk dag met een voorgift aan de volgende etappe te kunnen beginnen. Om dit soort toestanden te voorkomen was er een regel die er op neerkwam dat de wedstrijdleiding je handicap naar eigen inzicht kon aanpassen. Kortom het racen werd min of meer een jury-sport en de sterksten waren veroordeeld om de hele dag hard te fietsen om aan de strenge eisen van de jury te voldoen. Niet helemaal mijn ding.

De lengte van de eerste rit is met inrijden ongeveer 75 km. Twee klimmen van vijf km. Tussen de klimmen een km of dertig over een glooiende hoogvlakte. En na de laatste klim acht km glooiend naar de finish. De start is bij de rotonde aan de voet van de gruizige klim die we later die dag ook gaan afdalen. Theo vraagt voor de start wat mijn plannen zijn. Ik zeg spontaan eerste worden. Gek genoeg heb ik er ook een beetje vertrouwen in. Een paar dagen geleden heb ik de finale van deze etappe verkend. Ik reed soepel en het parcours lijkt op mijn lijf geschreven. Djoen is de betere klimmer maar op dit terrein met korte klimmen van maximaal 5 km en veel glooiend terrein maak ik een kans en de temperatuur is tegen de verwachting in onder de 30. Als ik in de laatste 8 km in de kopgroep zit kan ik de eerste rit winnen. En als ik de laatste 8 km alleen zit win ik zeker. Dit is mijn terrein.

Andere kanshebbers zijn Peter, Bart, Hans, Huub en Marlin. Marlin is een doldrieste strijder, sterk en hartstochtelijk maar altijd even niet slim. Hij is vijf kilo’s afgevallen en organiseert de 3CV. Als hij nog eens 10 kilo zou afvallen en wat slimmer zou rijden dan kan hij winnen. Die kans is klein. Marlin heeft ook veel pech. Hij is mijn maatje voor de koppeltijdrit. De laatste keer heeft hij me 22 km lang uit de wind gehouden en, ondanks mijn falen, een goede tijd neergezet. We hadden gewonnen. Toch besliste de wedstrijd cie anders. Nadat een van de leden van de cie zichzelf om onduidelijke redenen had uitgeroepen tot winnaar, besloot de wedstrijd cie om geen winnaar aan te wijzen omdat iedereen behalve wij fout gereden was.

Peter is het tegenovergestelde van Marlin. Hij heeft focus, gebruikt trainingsschema’s en is eerzuchtig. Peter, die in het dagelijks leven een zachtaardige uitstraling koestert, verandert op de fiets in de verbetenheid zelf. Met samengeperste kaken en ontblote tanden zit hij op zijn fiets om zodra het er in de wedstrijd om spant orders en verwensingen uit te delen. In een enkel geval kan hij tijdens een wedstrijd zelfs een loopje nemen met de regels, terwijl hij in normale doen zeer rechtschapen is.

Peter zit ook bij een echte wielrenclub WTC de Amstel en heeft kennis aan echte wielrenners zoals Tim Krabbé. Tim is, voor iedereen die dat nog niet weet, de schrijver van het boek De Renner waarop de 3CV geïnspireerd is.1 Wellicht dat Peter door zijn kennis aan Tim nog meer gemotiveerd is dan anders. Alhoewel het moeilijk is om me daar een voorstelling bij te maken.

Bart is het trainingsbeest, heeft kekke spulletjes zoals tubeless banden en elektronisch schakelen en denkt zeer rechtlijnig. Vraag: Bart waarom reed je de hele dag op kop? Antwoord: Omdat ik 250 watt wilde fietsen en jullie niet hard genoeg gingen. Vraag: Hoe denk je zo te kunnen winnen? Antwoord: O ja … Huh … Dat zien we dan wel. Om met Tim te spreken: Bart is geen wielrenner.

Huub is de grote onbekende. Voor de anderen dan. Hij is pas sinds kort Trappist maar rijdt al drie jaren bij Ulysses, mijn andere clubje. Uitstekend atleet. Prima conditie. Hij kan hard trappen en is net zoals Bart onder de veertig. Dit jaar is hij een slimme renner geworden. Hij doet af en toe nog wel wat doldrieste dingen, zoals samen met Marlin jagen op de bergtrui in de rit op de Nedereindse Berg, maar tegelijkertijd kan hij gehaaid afmaken. Huub is een grote kanshebber al is hij met zijn 78 kilo misschien net wat te zwaar.

Hans Keimpema heeft vorig jaar de Ardennen Tripel gewonnen. Hij is geen uitgesproken favoriet maar wel iemand waar je rekening mee moet houden. Hans kent zijn beperkingen. Zijn vrouw, die verstand heeft van wielrennen, heeft hem op het hart gedrukt om nooit maar dan ook nooit op kop te komen. Hans luistert naar zijn vrouw. Hij is een schaduw. Je ziet hem niet maar hij is er wel.

Na de start draaien we meteen de eerste klim op. Het is een loper. Djoen neemt al snel het initiatief, hij dwarrelt naar voren. Ik wil anoniem in het peloton blijven zitten, maar de beentjes draaien zo soepel dat ik door mijn ijdelheid uit mijn hok gedreven wordt. Kop over kop voeren Djoen en ik het tempo op. Niemand wil met ons meedraaien. Ik laat een gaatje vallen en spring dan naar Djoen toe. Tot drie keer toe kruipen ze in mijn wiel. De vierde keer laat ik Djoen alleen vertrekken en nestel ik me in het peloton dat aangevoerd wordt door Marlin. Djoen laten ze lopen. Peter, Huub en Bart laten zich de hele klim niet zien. Ze hebben de rust en innerlijke kracht om te blijven zitten.

Op de top parkeert Djoen nadat hij de bergpunten gepakt heeft. Hij wil niet alleen 30 km over de hoogvlakte rijden. Marlin en ik gunnen de anderen geen rust en geven direct gas. We raken een aantal renners kwijt. Met een kopgroep van een man of acht rijden we over de hoogvlakte. De eerste helft rijden we tempo met af en toe een plaagstootje van Djoen, Huub, Marlin of mij. In een afdaling mist Peter een onbeduidend bochtje waardoor ik schrik en moet uitwijken. Ik maan hem tot meer concentratie. Tegelijkertijd  zie ik mijn winstkansen stijgen. Peter is duidelijk geen daler. Bij dezelfde afdaling raken we Bart, Mart en Theo kwijt. Bart weet weer terug te komen maar moet later afhaken doordat zijn voorblad niet meer klein wilde schakelen. Ik zie Theo en Mart op 200 meter achter ons bungelen, ze krijgen het gat niet meer dicht.

Halverwege de hoogvlakte, 2 kilometer voor de puntensprint, knalt Marlin er van door. Een kilometer later kan ook Huub zich niet inhouden. Te laat en met Peter in zijn wiel zet hij alles op alles om Marlin de puntjes af te snoepen. Marlin en Huub jagen elkaar flink op en vallen beide stil na deze drieste actie. Marlin heeft de punten en Peter de sluwe vos wordt met een paar honderd meter voorsprong een ontsnapping in gekatapulteerd. Verdomme daar heb ik niet op gerekend. Samen met Djoen zet ik de achtervolging in. Hans en Martijn moeten lossen.

Djoen tikt me op de schouder: “Peter kan niet dalen”. Op de gruizige afdaling net voor de laatste klim zullen we hem zeker weer terugpakken. Tot die tijd mag Peter alleen met zijn neus in de wind rijden. De verse steentjes op de afdaling hadden bij sommige leden van ons racegezelschap al de gedachte van neutralisatie opgeroepen. Een enkeling riep: maximaal 35 km/u! Maar omdat het niet mogelijk is om een neutralisatie te controleren en Trappisten elkaar niet vertrouwen kozen we ervoor om toch maar zo snel mogelijk af te dalen.

Ik weet het zeker: Djoen en ik gaan de punten verdelen. Marlin en Huub hebben zichzelf opgeblazen en Peter is bezig om hetzelfde te doen. Ik kijk achterom. Tot mijn verbazing zie ik Huub opstomen met Hans en Martijn in zijn wiel. Huub sluit aan en houdt direct zijn benen stil. Hans houdt zich aan zijn opdracht. Martijn is na enkele jaren zelfverkozen ballingschap weer een maand of twee aan het trainen en rijdt verrassend goed, maar ook hij gaat niet meehelpen om het gat met Peter dicht te rijden. Weten ze wel dat Peter vooruit is? Verwachten ze dat Djoen en ik het gat naar Peter voor hem dichtrijden? Hard doorfietsen met drie profiteurs in het wiel voelt niet goed, maar de samenwerking wil ook niet vlotten. Peter loopt uit. Ik zie ver weg een klein stipje. Ik word ongerust, gaan we hem nog terugpakken?

Bij de afdaling neem ik de kop. Ik ga hard en dans over het grind. In Meyerueis zitten Djoen en Martijn nog in mijn wiel. Huub en Hans zijn we kwijt. Geen Peter. Shit. Aan het eind van het dorp bij de rotonde zien we Peter op maar 100 meter. Ik voel de energie door mijn lichaam stromen. Mijn hartslag is hoog. Tot mijn verbazing voelt het goed. Djoen en Martijn laat ik achter me. Martijn wenst me succes. Ik kruip naar Peter toe. Ik voel dat ik nog harder kan, maar ik houd me in. Het plan is druk houden en Peter uitputten, 1 km voor de top het tempo opvoeren, op de top er op en er over en dan 8 km in mijn eentje vol doortrekken naar de finish.

Op de helft van de klim met nog 2,5 km te gaan, zie ik Djoen tot op vijf meter naderen. Ik heb toch geen inzinking? Dit is een bekend patroon. Djoen is het eerste stuk iets langzamer en komt op stoom terwijl ik na een sneller begin een beetje terugzak. Maar deze keer is anders. Alle metertjes geven aan dat ik constant hard naar boven fiets. Ik moet en ik zal aanhaken als Djoen me passeert.

Ik kijk om het gat met Djoen is weer 50 meter. Is hij ingestort of speelt hij met me? Ik kijk naar voren. Peter is sterk en heeft iets versneld. Ik houd mijn tempo vast, pas op 1 km van de top wil ik versnellen. Wachten en druk houden. Op 1,5 km van de top in de haarspeldbocht zie ik op 10 seconden Huub met Djoen in zijn wiel. Waar komt Huub vandaan? Fuck. Ik kijk naar voren. Peter staat stil met mechanische pech. Vreugde en verbazing. Dit mag me niet ontgaan. Ik moet nu voluit naar de top. Daarna knal ik over de laatste 8 glooiende kilometers. Zorgvuldig terugschakelen op de korte klimmetjes, druk op de pedalen, beentempo hoog, vol gas net voor de top, op volle snelheid de afdaling in om met maximale snelheid en hoog beentempo te beginnen aan het volgende klimmetje. Ik vind de ideale lijn door het gevaarlijke bochtje in het dorp. Ik juich van binnen. De beginnende krampen deren me niet. Ik kijk niet achterom. Het laatste min of meer platte stuk trek ik vol door. Op de meet heb ik 1 minuut en 26 seconden voorsprong op Huub en Djoen die in deze volgorde samen over de streep komen. Hans Keimpema zit weer 10 seconden achter hun. Peter is uitgevallen en Bart komt op grote afstand met het grote blad over de finish.

 

Dag 2
De tweede rit heeft een totale lengte van circa 85 km inclusief inrijden. Ik start in de gele trui. Peter is ondanks de DNF van de eerste dag met 15  minuten achterstand weer in de race. Hier baal ik van. Psychisch heb ik me voorbereid op het controleren van Huub en Djoen. Van hen verwacht ik geen onvoorspelbare acties. Maar Peter gaat gezien zijn achterstand vanaf de start aanvallen. Dat betekent dat ik veel energie moet steken In Peter terwijl Djoen en Huub rustig achterover kunnen leunen. Kut.

Drie klimmen. Op de eerste bepaalt Huub het tempo. Stevig maar niet te hard. Een man of tien kunnen volgen. Ik voel me niet meer zo soepel als de eerste dag en besef dat ik zal moeten werken. Peter trapt zijn derailleur voor de tweede keer kapot. Mart doet een preventieve aanval en rijdt alleen op kop. We laten hem begaan. Mart doet dit soort aanvallen om een voorsprong te hebben in de afdaling. Mart is een notoir slechte daler. Bochten naar rechts zijn voor hem een onoplosbare puzzel. Toch is Mart geen slechte renner. In linksom draaiende criteriums op het vlakke heeft hij veel overwinningen gehaald. Mart heeft een kelder met drie grote kasten. In die kasten staan obscure videobanden. En achter de kasten staat verborgen in een klein hoekje een oude home trainer. Naast de home trainer hangt een touwtje. Als je daar aan trekt floepen een paar bescheiden lampjes aan. Ze schijnen op een kast met bekers. Het zijn de trofeeën die hij vergaard heeft met zijn overwinningen. Drie planken met bekers twee rijen dik. De bekers zijn gepoetst. Mart is een nette man. Als hij op de home trainer zit, kijkt hij naar de bekers. In elk van die bekers kan Mart zijn lachende spiegelbeeld zien terwijl hij schuimbekkend sterft.

Joost, samen met Marlin een van de organisatoren van de 3CV, zit er ditmaal ook bij. Joost is een goede klimmer. Hij moet echter met een defectje lossen.

Op de tweede klim rijdt Djoen zo hard dat we met drie man overblijven. Alleen Huub en ik kunnen volgen. “Het klassement liegt niet” zegt Djoen. Na de klim op de glooiende weg omhoog kijken we elkaar aan. Ik wil me sparen voor de derde klim. Huub en Djoen denken er schijnbaar hetzelfde over. We sluiten een vrolijke wapenstilstand. We zien Marlin beneden ons bezig aan een opmars, hij lijkt met gebaren aan te geven dat hij naar ons toe wil rijden. Het is nog een flinke afstand.

De laatste klim zal de doorslag moeten geven. Ik heb maar een doel en dat is samen naar de finish. Djoen wil ons kraken door een hoog basistempo neer te zetten dat hij af en toe onderbreekt voor een versnelling. Ik bijt me vast in zijn wiel en kan er telkens maar net bijblijven. Huub moet met nog 2 km te klimmen lossen. Djoen trekt door. Ik wil en zal niet lossen en blijf in zijn wiel. We beginnen met zijn tweeën aan de laatste 8 min of meer platte kilometers. Djoen wil kop over kop om de afstand met Huub zo groot mogelijk te maken. Ik zeg tegen Djoen dat ik wel in zijn wiel wil blijven zitten maar dat ik geen reden zie om de kop te nemen. Ik heb immers al 1:26 minuut voorsprong op Huub en Djoen en morgen is weer een dag. Djoen daarentegen staat gelijk met Huub. Met tegenzin houdt Djoen het tempo hoog, voor de vorm neem ik af en toe even over. Djoen kijkt telkens achterom en lijkt zenuwachtig. Ziet hij Huub? In de laatste kilometer doe ik drie stevige aanvalletjes die Djoen goed weet te pareren. In de sprint klop ik Djoen. Huub komt op een halve minuut binnen.

 

Dag 3
De derde dag is de route zoals in het boek De Renner beschreven; 140 km met meer dan 2000 hoogtemeters. Twee korte steile klimmen en een loper van 24 km naar de Mont Aigoual. De lange afdaling naar de finish is in mijn voordeel. Het is een afdaling met een paar korte klimmetjes, steile technische stukken en op het eind een lang stuk waar je flink bij moet trappen. Op de steile stukken kan ik Huub pakken op de doortrapstukken ben ik beter dan Djoen.

De eerste klim vanaf Les Vignes is een korte steile rotzak. Mart doet een poging om weg te rijden. Ik pak zijn wiel. Mart vraagt aan me waarom hij niet weg mag rijden. Ik weet het niet. Wil ik laten zien dat ik in controle ben? Ik voel me wat onzeker. De dag is begonnen met een klein verkoudheidje. Djoen neemt over en hervat het sloopwerk. Ik pak zijn wiel. Huub pakt het mijne. Ik ga langzaam dood. Op twee derde van de klim zit ik op mijn limiet en we moeten nog 105 km. Ik hoor de verkoudheid in mijn ademhaling, zouden de anderen het ook horen? Het is ook warmer dan de andere dagen. Voelen ze dat ik kwetsbaar ben? Ik laat Djoen gaan en vertrouw er op dat hij na de klim niet alleen verder wil. Huub passeert me en wil aansluiten bij Djoen. Ik wil niet dat hij zonder mij samen met Djoen voor mij bovenkomt. Huub is geen concurrent maar ik heb hem later op de dag misschien nodig om Djoen te achterhalen in de lange afdaling. Ik maan Huub om rustig aan te doen. Bokkig geeft hij toe aan mijn wijze raad. We laten Djoen gaan. Djoen houdt in, blijft tien meter voor ons fietsen en kijkt vanuit de hoogte achterom naar onze zwoegende lichamen.

Op de laatste honderden meter van de klim komt Marlin staand op de pedalen voorbij zetten. Ik maan hem ook tot kalmte. Maar Marlin kan niet stoppen. Hij gromt dat hij in dit tempo door moet. Boven komen we bij elkaar. We rijden zo rustig dat de rest van het peloton weer kan aansluiten. Mart pakt zijn dagelijkse voorsprong. Ik zie Huub razendsnel optrekken op weg naar Mart. Wil hij er samen met Mart vandoor? Ik ga staan en wil naar hem toespringen. Hij gaat te hard. Ik moet hem laten gaan. Huub rijdt weg. Ik blijf verbluft achter en zie mijn overwinning verdampen. Djoen komt naast me fietsen en vraagt of ik van hem af wil. Hij lacht. Huub zakt weer terug in het peloton. Hij ging voor de groene trui punten die Mart allang in zak had.

De tweede steile klim is de slotklim van de eerste dag. Djoen geeft het tempo aan. We blijven weer met zijn drieën over. Erg hard gaat het niet. Djoen ziet grauw. Huub zit in mijn wiel en lijkt dat best te vinden. Deze mannen zitten stuk. De buit is binnen. Na de klim neem ik fier de kop. We glooien naar de ravi. Doordat de pijltjes fout hangen rijden we fout. Djoen stapt af om ze goed te hangen. Djoen is een heer. Door dit oponthoud sluiten er renners aan. We dalen in harmonie.

Op de Mont Aigoual zijn we weer snel met zijn drieën. Djoen blijft tegen beter weten in aanvallen. Versnelling na versnelling. Djoen sloopt zichzelf meer dan Huub en mij. Ik wil niet het risico lopen om mezelf te slopen en weiger over te nemen ook al wil het lichaam soms wel. Huub heeft het vanaf het begin al zwaar en lijkt geen bedreiging meer te vormen.

Op 6 km voor de top versnelt Huub en flink ook. Ik zie hem wegrijden. Djoen moet dit opvangen. Djoen roept dat hij niet meer kan en dat ik het zelf moet doen. Ik ga op de pedalen staan om Huub bij te halen en laat Djoen achter me. De kramp schiet in de binnenkant van mijn rechter bovenbeen. Godverdomme. Zitten, doortrappen, ritme zoeken. Ik moet door. Huub neemt afstand zijn tred ziet er sterk uit. Ik krijg de kramp onder controle, maar ik ga niet snel genoeg. Huub verdwijnt uit zicht. Achter me komt Djoen weer dichterbij. Ik moet harder, maar het gaat niet. Hoeveel minuten voorsprong heeft Huub? Hij mag maximaal 2 minuten voor me eindigen. Ik moet blijven fietsen. Zo dicht bij de overwinning mag ik niet opgeven. Mijn klimlichaam is op. Ik zwalk tegen de kramp aan naar boven.

Op de top kun je ver kijken. Huub is uit zicht. Hij heeft misschien wel 3 of 4 minuten. In de afdaling ga ik vol, de korte tussenklimmetjes neem ik beheerst om te voorkomen dat ik kramp krijg. Ik hou van afdalen. De adrenaline geeft me energie. In een bocht duikt een grote vrachtwagen met bomen op. Ik glip er op volle snelheid langs. Snelle steile bochten met afwisselend schaduw en fel licht. Ik vlieg er door heen. Bij iedere vrachtwagen en rotbocht groeit de hoop. Hier moet ik tijd kunnen winnen op Huub. Halverwege meen ik een stipje te zien. Is het een wielrenner? Is het Huub? Wat is hij ver weg. Ik kijk op mijn klok. Ik zie alleen minuten geen seconden. Op de plek waar ik het stipje zag, kijk ik weer op mijn klok. Een minuut zeker geen twee! Ik kan het geel behouden en misschien wel winnen. Het laatste stuk gaat licht dalend naar beneden. Een parcours voor krachtpatsers zoals Huub. Ik wil en moet doortrappen. De kramp vliegt in benen. Nog drie km. Ik kan niet meer fietsen en val stil. Ik kan wel huilen. Ik schreeuw. Zo dichtbij. Ik moet doortrappen. Ik trap door. Het doet pijn maar zolang ik mijn ritme en houding vasthoud kan het. Ik zie de finish. Mensen beginnen te juichen. Ik ben twee. Huub is 45 seconden voor me geëindigd. Het geel is behouden. Jeannette, mijn lieve vriendinnetje, is blij dat de derde dag iemand anders heeft gewonnen.

 

1)
Peter heeft samen met Mart de vragen gemaakt voor de dagelijkse De Renner quiz, die opmerkelijk genoeg op alle drie dagen door vrouwen gewonnen werd ondanks het feit dat de beta georiënteerde slotvragen (hoe snel, hoe hoog) duidelijk voorsorteerden op een mannelijk winnaar. Peter heeft ook fraaie buttons, petjes en tassen gemaakt voor alle deelnemers en vrijwilligers van de 3CV.