De domme renner

door: een jongen in een Molteni-trui

 


Meyrueis, Lozère, 19 juli 2019.
De lucht is knallend blauw. Ik knijp in mijn remmen voor de boulangerie ‘Secret de Dominique’. Ik zet mijn fiets, een oudgroene Ger van carbon, tegen een plataan en steek de straat over. Dit is de tweede ochtend al op rij dat ik in dit kleine Zuid-Franse winkelstraatje om 08:30 een koffiepauze inlas. Veel te vroeg natuurlijk. Maar dat maakt niets uit. Ik ben niet aan het trainen. Integendeel. Ik ben wedstrijdroutes aan het uitpijlen met geel fluorescerende bordjes die de vorm van een pijl hebben. Op elk bordje staat het opschrift ‘FC Trappist’.
Vanochtend ben ik om 06:00 opgestaan om in alle rust te kunnen vertrekken richting het vliegveld op de hoogvlakte. Daar moet ik nog een groene streep op de weg spuiten. Mijn hele gezin lag in het campinghuisje nog heerlijk te slapen. Ondanks de vakantiesfeer heb ik het druk. Morgen is het de grote dag. En ik moet zelfs vanmiddag nog een route uitpijlen. We hebben hem maar 'Tour de Mont Aigoual' genoemd. Ook al weet ik niet zeker of dat wel een officiële benaming is in Frankrijk…op Strava kon ik niets vinden.

We zijn hier gisteren beland op een camping op een hoogvlakte van de Cévennes. Na een lange tocht kachelen in een volbepakte V70 naar het Zuiden is het weer een fijn weerzien. Het land van lavendel, Joplaît en zure mayonaise blijft de favoriete vakantiebestemming van mij en mijn vrouw - al zo'n dertig jaar. Zelfs mijn kinderen gaan nog mee op deze seniorenvakantie. Zij hebben goede herinneringen aan tien jaar geleden. De camping van de kruisridders. Toen waren we ook al hier. Zij nog een stuk jonger. En ik een stuk dikker. Voor de rest is er niets veranderd. Eigenlijk gaan we weer hetzelfde doen. Zij bij het zwembad hangen en ik fietsen. Met zo’n 30 leden van mijn Amsterdamse fietsclub gaan we wielrennertje spelen in deze prachtige streek van Frankrijk. De Tour de Mont Aigoual vormt het ultiem hoogtepunt van de '3CV' (Trois Cévennen), een driedaagse die ik samen met club- en buurtgenoot Krontjong heb georganiseerd. De ronde, eigenlijk is het een achtje, die elke ‘echte’ renner zal herkennen als de wedstrijd die in het boek van Tim Krabbé 'De Renner' centraal staat.

Laat ik eerlijk zijn. De hele onderneming om deze driedaagse te organiseren is te beschouwen - ik ga er niet omheen draaien- als een driedubbele midlife-crisis. Een: een koers uit een literair boek nabootsen heeft iets van de triestheid van zo’n re-enactment evenement. Volwassen mannen die bijvoorbeeld in België soldaatje spelen en het Ardennen-offensief van december 1944 waarheidsgetrouw proberen te herbeleven. Inclusief in een legerdump gekochte Amerikaanse helmen en voertuigen. In het heetst van hun fantasie schieten zij met een serieus gezicht ‘ Moffen’ neer door heel hard pang te roepen en dan vervolgens te gaan tijgeren door een greppel in België. Twee: ik ben geen echte klimmer; veel te zwaar. Ik heb dus niets te zoeken in de Cevennen. Drie: wielrenners van middelbare leeftijd, zoals wij, die ook nog hun klimtijden op Strava vergelijken met de profs, zijn meelijwekkend. Zij weten natuurlijk dat zij al sinds hun 40ste in een keiharde, neerwaartse spiraal zitten qua wielerprestaties – hoeveel geld er ook geïnvesteerd wordt in materiaal, hoe hard er ook getraind wordt.  Het is voorbij maar ze weten het nog niet. Zij willen het niet weten. En ze spartelen als zo’n tekenstripfiguurtje boven het ravijn, voordat het in een peilloze diepte gaat vallen...

Ik koop bij de boulangerie een croissant die ik, net als gisteren, op het terras van de buren ga opeten, met een grote kop café au lait. Dit is echt geen Hollandse zuinigheid maar het gebruik hier. Alle koffiedrinkers worden voor taartjes door de ober doorverwezen naar de buurman. In de schaduw van de blauwe luifel van De Jefbar is het goed toefen. Ik geniet van het langzaam ontwaken van het Franse straatje. Een oud bouwwerk met rondbogen en uitgesleten stenen, vroeger in gebruik als wasplaats, doet nu dienst als overdekte markthalletje. Een oude plataan en een muziekkapelletje. Er staat een vrachtwagen te lossen. Nu is er nog volop bedrijvigheid. Vanmiddag, als de zon staat te branden, zitten de lokale dorpelingen, alweer achter hun gesloten luiken. Dan zijn er alleen maar een paar verdwaalde toeristen in korte broeken en om ijsjes jengelende kinderen in de winkelstraat. En wielrenners die zo gek zijn om hier te gaan fietsen, in de bloedhitte. Binnen in het verder sfeerloze sport-café staat een groot flatscreen te tetteren. De barvrouw, zwaar opgemaakt en net iets te vol, is niet moeders mooiste.

Ik doop mijn croissant in de bak slappe koffie. Dat heb ik Parijzenaren zien doen. Maar ik blijf natuurlijk een Hollandse toerist. Een wielertoerist zoals de Belgen dat zo treffend uitdrukken. Toch zullen de meeste leden van mijn fietsclub zich geen wielertoerist voelen. Zij voelen zich een renner. Ik eigenlijk ook. Misschien zijn we wel echte renners. Dat is een raar verschijnsel. Een voetballer uit de derde klasse AVB zal nooit twijfelen over zijn status. Iedereen noemt hem een echte voetballer. En tegelijk weet iedereen ook dat hij nooit het niveau van Messi zal halen. Bij wielrennen ligt dat anders.
Uit mijn ooghoek zie ik dat er een wielrenner aan komt fietsen. Is dat een echte renner? Mijn hemel, nee! Hij fiets met open kruis. Onder zijn zadel zit een tasje. Een bandana steekt onder zijn helm vandaan. Zijn tricot zit gespannen om zijn dikke buik. Dit is geen echte renner. Het niet-authentieke vind ik schokkend. Waarom die knieën niet dichter bij de buis? Waarom die lelijke fietsreparatie-set van de Hema onder je zadel laten bungelen? Maar tegelijk schaam ik mij voor deze gedachten. Wie ben ik om dat te denken? Wanneer is iemand een echte renner? Het is een vraag die mij bezighoudt nu ik weer mezelf een doel heb opgelegd: ik moet toch minstens vijfde kunnen worden tijdens deze driedaagse. Was Tim Krabbé een echte renner? Hij reed bij een amateurvereniging in Anduze. Een samengeraapt zooitje in een uithoek van Frankrijk. Trouwens: hij laat in zijn roman zichzelf de wedstrijd verliezen.

  

In de jaren ’70 en ’80 reed Krabbé inderdaad wat criteriums in Nederland maar was hij een echte klepper? Reed hij altijd uitslag? En wat wist hij van het milieu van de profs van zijn tijd? Was hij als schaker en schrijver niet een intellectueel die helemaal geen toegang had tot het wereldje van de echte profs? Afgezien van Peter Winnen uit de jaren tachtig blinkt het profpeloton uit het verleden niet uit in intelligentie en transparantie. Kon Krabbé met de echte profs makkelijk in contact komen? In de tijd van Krabbé waren het toch voornamelijk jongens van de gestampte pot met weinig opleiding. Peter Post begon als postbezorger. Gerrie Kneteman was stratenmaker. Bernard Hinault boer. Dat waren de echte renners. En onze Joop Zoetemelk, wat deed hij eigenlijk toen hij nog bij de amateurs fietste? Als kind dat ik altijd dat Joop melkboer was. Dat kon eigenlijk niet anders met zo'n hoofd en achternaam. In de interviews op TV kwam hij niet echt over als een type die in Amsterdam op de sociëteit De Kring met Tim een potje schaak ging spelen. Nog steeds als je een interview met het hem ziet of leest is de eenvoud schokkend van die man. Laat staan dat hij Tim de geheimen van het wielerberoep uit de doeken zou kunnen doen. Het grootste geheim is natuurlijk doping. Krabbé vermijdt de prestatieverhogende middelen angstvallig bij zijn reflecties in het boek over de wielerprofs van weleer. Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik de ‘De Renner’ ga zien als het product van de verbeelding van een intellectueel met een hobby in de jaren '70. Wel leuk om te lezen maar het zou toch geloofwaardiger geweest zijn als Gert-Jan Theunisse het boek bijvoorbeeld had geschreven. Inclusief een mooi verhaal over wat Gert-Jan in de jaren ’80 van de soigneur van de PDM-ploeg uit de medicijnkast kreeg toegeschoven als hij stuk zat. 
De wereld van het ik-figuur uit Krabbé's boek bestaat heel zwart-wit uit wielrenners en niet-wielrenners. 41 jaar later is daar zeker één belangrijke dimensie bijgekomen: de net-niet-wielrenners. Dat zijn wij. 

(wordt vervolgd)