Men lijkt maar met één ding bezig: de concurrent er af rijden!

door: Theo van der Neut

 

 

 

Ik twijfelde lang of ik een verslag zou schrijven over de 3CV. Een weinig objectief verslag over drie dagen fietsen gelardeerd met mijn gedachtenspinsels, ik ben bang dat lezers halverwege de 1e klim van dag 1 al afhaken. Bovendien heb ik helemaal niet gewonnen. ’De winnaar schrijft een verslag’, zo is de regel bij de Trappist. En de winnaar is duidelijk: Jan Repco! Ik werd slechts 5e overall, geflatteerd doordat Peter, Bart en Marlin technisch malheur hadden. Zonder deze ‘meevallers’ was ik 8e geworden. Nog niet gek, vooraf had ik op een plaats bij de eerste tien gehoopt en een beetje gerekend. Maar 5e met meer dan 20 minuten achterstand op Jan, dat zijn 4 hele ronden op Spaarnwoude! En dan moet je nog hard doortrappen ook.

Aan de andere kant: ik heb wel 3 potten zuivere honing bij elkaar gefietst, voor even zovele dag overwinningen bij de Bees en een fles ongefilterd bier voor de 1e plaats in het eindklassement in deze categorie. Daar had ik vooraf wel rekening mee gehouden, hoewel ik beducht was voor de vlieggewichten Joost en Eric. En op Ries moest, gelet op zijn resultaten tijdens de driedaagse in de Alpen 2 jaar geleden, ook scherp worden gelet. De klimkwaliteiten van Evert, maar vooral van Rieks kende ik onvoldoende. Laatstgenoemde is de laatste tijd in goeden doen. 

Maar de opmerking van Aad tijdens de door mij gemiste AV afgelopen jaar en het ontnuchterende commentaar van Jan erop in zijn verslag heeft de doorslag gegeven. Met het gevaar dat ik dit louter voor mij zelf aan het tikken ben, therapeutisch als het ware, ga ik toch aan de slag.

 

De camping

Meteen toen ik over de hoogvlakte richting camping reed, deels over het tijdritparcours van 10 jaar geleden, merkte ik het: dit voelt als thuiskomen. De stemming sloeg al om toen ik na afslag 44 van de snelweg de piepkleine D94 opreed. Een compleet andere wereld openbaarde zich aan mij. Een weggetje, smal, bochtig, groen en scherp dalend naar de Tarn. Ik passeerde een klein dorpje, absolute rust. Na Le Rozier weer stijgen, mooie fietsklim overigens, naar de hoogvlakte en door de bossen richting Domaine de Pradines. Ik reed de camping even voorbij in de richting van Lanuéjols. Stond de rotsformatie die onze trouwkaart in 2010 sierde er nog net zo standvastig en geïsoleerd als destijds of was het inmiddels een ´Instagram topic´ waar talloze stelletjes van over de hele wereld elkaar eeuwige trouw beloven? 

                              

Op naar de camping. Die lag er nog net zo bij als 10 jaar geleden. Niets vernieuwd, geen innovatie, alles nog precies hetzelfde als toen. De rust, de weidse uitzichten, ik werd er haast emotioneel van. Nu was vorige week zaterdag op het NOS journaal een item dat er jaarlijks 50 tot 100 kleine Franse campings moeten sluiten. De bezoekers willen vertier, knuffelmuren, wifi tot in de verste uithoeken, kinderdisco’s, bingo’s, aquajogging, kortom vermaakt worden. Of in ieder geval de kinderen dan … . Daar doen zij allemaal niet aan op Domaine. Of er is geen geld voor vanwege een tekort aan bezoekers zo begreep ik uit het nieuwsbericht. Laat Domaine nog even zo blijven, ik ga de camping zeker weer bezoeken.

 

De wedstrijd

Het voor mij meest confronterende moment, met emoties en vreemdsoortige gedachten die elkaar in hoog tempo afwisselden, was in de aanloop naar de start van de 1e dag. Ik reed rustig naast Martijn en probeerde hem ondertussen zijn strijdplan te ontfutselen. De weg liep omhoog en terugschakelen was noodzakelijk. Vooral de benen niet forceren voor de start. Kennelijk voerde ik de handeling te bruusk uit voor het uiterst gevoelige elektronisch schakelsysteem, een hevig geknars van ketting en kransjes was het gevolg. Normaal even de benen stil, de knopjes licht toucheren en hopla, maar nu reageerde mijn achter derailleur niet. Stoppen, afstappen. En het was nog zo gezegd door de organisatie: eigen verantwoordelijkheid, dus het peloton, met alle concurrenten, liet mij alleen achter op de hoogvlakte.

 

Ik keek naar mijn derailleur, rommelde wat, veel meer kan je niet doen aan zo’n elektriek systeem. Ik had thuis de batterij nog opgeladen, dus daar kon het niet aan liggen. Ik had mijn diagnose snel klaar, de derailleur schakelt alleen naar kleinere kransjes, niet naar grotere. Das lekker als je in de bergen rijdt. Jeetje, wat nu, wedstrijd foetsie, 3 dagen zwembad, helemaal naar de Cevennen gereden en dan niet mee kunnen doen, vloeken, dan maar eerder naar huis, kortom een rollercoaster in mijn hoofd. Toen wist ik nog niet dat anderen later die dag vermoedelijk soortgelijke emoties zouden ervaren.

 

Enfin, ik drukte nog hier en daar op een knopje en toen schakelde het apparaat weer. Pff, mazzel. Snel op de fiets en achter de meute aan. Ik meende nog net de staart te zien rijden, maar het duurde tot de uitlopers van de afdaling naar Meyrueis voordat ik bij de laatste rijders aansloot. Ruim op tijd bij de startplaats, niets aan de hand.

 

Etappe 1

Het startsein werd gegeven. Het is rommelig, iedereen wil voorin zitten. Waarom toch, denk ik egoïstisch? Niet iedereen zal zich voorin kunnen handhaven en ondertussen zitten zij op mijn plek. Na twee kilometer klimmen is het kaf van het koren gescheiden. De betere klimmers zitten vooraan en ik mag mee. Dat was mijn strijdplan, half gekopieerd van Martijn. En verder hoopte ik vurig niet alleen op de hoogvlakte te moeten rijden. Vermoeiende is dat en mijn kennis van het parcours was beperkt.

 

Er zijn wat uitlooppogingen, meer speldenprikjes, stelt niet veel voor. Met 10 man draaien wij de hoogvlakte op. Ik kan goed mee met de cracks. Af en toe is er een versnelling, maar dat deert mij niet. Wat mij wel opviel is: de sfeer onder die toppers. Geen boe of bah, geen grap, geen morele ondersteuning, absolute stilte heerst er onder die mannen. Men lijkt maar met één ding bezig: de concurrent er af rijden! Dat is mij vreemd.

 

En dan, net na een klein dorpje, komt er een venijnig klimmetje. Ik reageer te laat en kom op een meter of 20, samen met Bart en Mart. De klim gaat over in een smalle snelle afdaling. Bart kan nog net aansluiten, mij lukt het niet om het gaatje dicht te rijden. Het zal een meter of 50 zijn geworden, maar ik weet mij verzekerd van Mart in mijn rug en met hem erbij moet de aansluiting wel weer gevonden worden. Maar dat strookt niet met het doel van de koplopers, gas erop, geheel in overeenstemming met hun doel: weg met de zwakkeren.

 

Later volgde de fietsles (de eerste, er zou een dag later nog één komen): je babbelt wel lekker Theo, maar je hebt geen focus …! Ik zelf wijt het aan gebrek aan parcourskennis, maar dit terzijde.

 

Ik steun Mart waar ik kon, probeer zijn kenmerkende hoge tempo het mijne te maken en wij communiceren zowaar. Het gaatje wordt niet kleiner, integendeel. Een tijd lang zitten wij op 200 meter. Zodoende zijn wij getuige van de sprint voor de Groene trui. Door ons goed te aanschouwen want wij moeten de haakse bocht bij het vliegveld nog maken.

 

In het klimmetje dat volgde zien wij Bart en later ook Marlin uit de kopgroep lossen. Het lijkt zowaar dat beiden op ons wachten. Daar is helaas geen sprake van: Bart heeft pech en Marlin stampt onverdroten door maar kan het tempo van de lichtgewichten even niet volgen.

 

Vlak voor de hoofdweg rijdt Mart opeens 20 meter voor mij. Heb ik niet opgelet, te weinig focus? Nou ja, dat haal ik zo wel weer in. Mart zal ook niet snel dalen op het grind. Niets was minder waar. Op het grind loopt de voorsprong op en na verloop van tijd zie ik Mart niet eens meer. In de laatste kilometer van de afdaling schieten er twee schichten voorbij. In de eerste meen ik Bart te herkennen. En de tweede …. Ik weet het niet. Het is toch niet Ries? Ik veronderstelde een reuzevoorsprong te hebben op de B rijders.

 

Met een keurige 15 km/uur rijd ik door Meyrueis, het is immers geneutraliseerd hier. Vlak na de rotonde zie ik Bart weer langs de kant van de weg staan. En even verderop rijdt Bert, goddank, geen B-rijder. Ik haal Bert bij en even later heb ik ook mijn oude metgezel weer te pakken. Samen met Mart haal ik de top (wij passeren de lopende Peter) en vandaar rijden wij in gezwinde spoed naar de finish.

 

Etappe 2

Bij de start hetzelfde gerommel als de dag ervoor. De hele, niet al te brede, weg werd gebruikt door de Trappisten 6, 7 man naast elkaar. Een auto uit tegenovergestelde richting zou onmogelijk uit kunnen wijken. Na een kilometer of wat wordt het beter. Piet heeft het op zijn heupen en reed 100 meter voor het al enigszins uitgedunde peloton. En toen was daar opeens Jo, één van de weinigen waarmee je wel een gezellig woordje kunt uitwisselen tijdens het fietsen. Daar heeft hij nu geen tijd voor, want hij heeft kennelijk zijn zinnen gezet op de tussensprint. Hij ging alles en iedereen voorbij en wint de sprint met glans. De orde wordt hierna weer hersteld, maar Piet bleef ruim voor ons uit rijden.

 

De eerste echte klim van de dag. De usual suspects rijden al snel vooraan. Alleen nu blijft Joost ook bij de kopgroep. Mart wil als eerste de afdaling in, rijdt voor de top weg, pakt en passant de punten voor de bergtrui en duikt naar beneden. Helaas voor Mart wordt hij al snel ingelopen, zelfs door mij. Het is een niet al te moeilijke en ook niet zo snelle afdaling en tot de haarspeld bochten kan ik bij Jan, Djoen, Martijn, Huub en Hans in de buurt blijven. Dan wordt het gaatje groter en vlak voor St Jean word ik ook nog ingehaald door Marlin en Joost. Ik sluit bij de eerste huizen voor de rotonde weer aan bij de laatste twee en wat ik toen zag. Tja, hoe moet ik het zeggen? De instructies waren duidelijk: houd je aan de verkeersregels! Toen dat werd gezegd wist ik niet dat deze regel niet gold voor het organisatie comité. En dat was nog maar de eerste rotonde. Maar direct na het (af) ronden van de rotonde krijgt Marlin het aan de stok met een vrachtwagen. Die heeft wat moeite met het ronden van een hoek, moet 2 keer steken. Marlin probeert rechts, hij probeert links. Als de truck iets hoger op zijn wielen zou hebben gestaan was Marlin er onder door gegaan. Focussen noem je dat, geloof ik.

 

De volgende rotonde wordt ook in Engelse stijl genomen. En ik moet toegeven het was 0,03 seconden sneller. Daarna weer een vrachtwagen die Marlin in de weg zit, maar ik zal stoppen met klikken. Met zijn 3-en begonnen wij de klim, een paar honderd meter achter de 5 koplopers. Als snel sluiten Mart en Bert bij ons aan. Wij rijden net iets langzamer dan de kopgroep. Joost, die ook wel lekker babbelt tijdens het fietsen, begint een gesprekje over leeftijd met Marlin. Das dan jammer hè, hij mist net de finesses voor sociaal aanvaardbare opmerkingen. Als door wesp gestoken gaat Marlin er vandoor. Zo blijven de zestigers over.

 

Een kilometer of twee voor de top zien wij Martijn, Hans en Marlin rijden, de afstand is groot. Toch knap van Joost, dat hij Marlin zo weet te motiveren. Dat is een gave. In de afdaling naar Treves moet ik Bert en Joost laten gaan en Mart zit weer een stukje achter mij. Joost heb ik bij het begin van de klim die volgt weer te pakken en Bert een stukje verderop. “Kom op Bert, aanhaken, ik heb je straks nodig”. Gestaag klim ik door en even later zit Mart ook weer in het wiel. De onfortuinlijke Marlin heeft een lekke band, het gaat mij nu even te ver om een handje uit te steken.

 

Aan het einde van de klim zien wij Hans. “Kom op mannen, die kunnen wij hebben”. Het virus van de genadeloze renner begint zich te nestelen in mijn lichaam. Ik spreek in meervoud, terwijl alleen Mart nog achter mij zit. Even later zien wij ook Martijn. Ik vuur Mart nog eens aan en reken erop dat hij straks op de vlakte nog eens op geheel eigen wijze ‘een Martje’ zou doen. Waarvan ik dan dankbaar zou profiteren.

 

Op de top zitten de mannen nog een paar 100 meter voor ons. Wij knallen om de beurt op kop en de afstand slinkt. Een kilometer voor de afslag naar de camping hebben wij ze te pakken. En toen begon fietsles 2: “het is geen hard rijden, het is een wedstrijd”! Martijn en Hans doen niets, geen meter op kop. Nou ja, dat doe je toch niet? Mart en ik laten ons niet kennen en rijden om en om stug door. Op 60 meter voor de finish gaat Martijn de sprint voor de 4e plaats aan. Hans, ook niet kinderachtig als het op sprinten aankomt, reageert direct. Nu zou ik hier de finishfoto van Martha en Filippe, de finishfotografen van de 3CV, kunnen invoegen, maar dat gaat misschien wat te ver.

 

Etappe 3.

De aanloop naar de start is een feest. Het is prachtig weer, maar nog aan de frisse kant door het vroege tijdstip. De gorge naar Le Rozier is schilderachtig. Een strak blauwe hemel, afwisselend rijden wij in de zon, dan weer in de schaduw door de steile rotswanden.

 

Een pittige klim om mee te beginnen, zelfde laken en pak. De kopgroep heeft zich alweer snel afgescheiden, maar rijdt vervolgens op de hoogvlakte niet echt door. Behalve Mart. Die rijdt het grootste deel solo. Bert, Joost, Jan Maarten en Evert sluiten aan voor de grindafdaling. Ook hier weer het bekende ritueel. Als enige houd ik mij aan de adviessnelheid van 35km per uur. En met ruime achterstand kom ik aan in Meyrueis. Daar hang ik nog een tijdje achter een tractor met oplegger, zodat de neutralisatiesnelheid van 15 km per uur bij lange na niet wordt gehaald. Wel zo veilig.

 

In de klim haal ik weer een stel mensen in en bij de ravitaillering is de kopgroep van het eerste uur weer bij elkaar. Vlak voor het begin van de afdaling naar Treves vraag ik ‘le patron’ of ik even vooruit mag rijden. Dat zie je in de Tour ook wel eens. Iemand komt langs zijn woonplaats en wil even handen schudden, of iemand moet even plassen. Ik vroeg permissie omdat ik wat eerder aan de afdaling wilde beginnen, een slim plan. Jan ziet mij niet echt als een bedreiging voor zijn eerste plaats en stemt in. Zo komt het dat ik vlak achter Martijn, Hans en Marlin aan de lange klim van de Mont Aiqual begin en op enige honderden meters achter Jan, Huub, Djoen en Bert. Ik sluit aan bij de eerst genoemden. En na een paar kilometer laat Bert de 3 anderen gaan zodat wij nu met vijf zijn. Gezellig wel. Hoewel, ik mis Mart, daar valt tenminste nog een gesprek mee te voeren.  De kaarten lijken geschud. De nummers 1,2 en 3 rijden voor ons. Hans, dit jaar ijzersterk, 4, Martijn 5 en ik 6, als het allemaal zo zou blijven.

 

Martijn sluipt heel langzaam weg. Het gat is nog geen 100 meter maar dichterbij komen wij niet. Ik versnel. Is niet de correcte beschrijving. Ik ga iets minder langzaam rijden, met als doel Martijn in te lopen. Als ik omkijk, zie ik dat ik alleen rijd, dan maar doorzetten en naar Martijn toe. Die was blij dat ik er bij kom en ondanks de vermoeidheid is hij een stuk spraakzamer dan de eerste 2 etappes. Ik zou bijna geloven dat hij zijn focus heeft verloren. “goed, dat je er bent, Theo. Hoe ver is het nog? Lekker zo samen. Jij sleurt mij er door heen”. In 10 minuten heeft hij al meer tegen mij gesproken dan alle rijders bij elkaar in de voorgaande 2,5 etappe. En wij moeten nog een uur naar de top, dat belooft wat! Wij komen samen boven, zien dat Marlin op enige afstand volgt.  Al snel blijkt dat met de focus van Martijn niets mis is. In de afdaling blijf ik nog even in zijn buurt, maar weldra verlies ik hem uit het oog. Ik wil maar één ding en dat is veilig beneden komen, ik had andere afdalingen al meer risico genomen dan goed voor mij is. Maar eerlijk is eerlijk, ik wil nog iets en dat is Marlin voorblijven. Vijfde in de Koninginnerit klinkt toch leuker dan 6e.

 

Ik blijf mijn best doen, kijk zo nu en dan bevreesd achterom, maar geen Marlin. Begin ik het dalen onder de knie te krijgen zo vraag ik mij kortstondig af. Nee, dat kan niet want Martijn is in geen velden of wegen meer te zien. Bij de finish blijkt dat ik 1 minuut en 52 seconden verloren heb op de 25 kilometerlange afdaling. Maar met nog een kilometer te gaan is er nog geen glimp van Marlin te ontwaren, dus de 5e plaats is binnen. Zorgen om Marlin maak ik mij toen Bert over de finish kwam. Dat is gek, die zat in de klim (ver) achter Marlin. Gelukkig duurt de onzekerheid niet lang, want daar komt Marlin ongeschonden over de meet. Hij had alvast wat bordjes verwijderd om de boel netjes achter te laten. Een gentleman is het, op die rare fratsen in St Jean de Bruel na dan.

 

Rest mij te schrijven dat ik genoten heb, van de koers, van alle mensen die mee waren, het was top. En een speciaal woord van dank aan de organisatie en alle vrijwilligers! En aan Ger!