Verslag 8 juli 2020, zomerwedstrijd

door: Ard van Straten
(verslag vierde zomerwedstrijd)  


Dankzij de inzet van ons wedstrijdcomité hebben we na het wat meer vrijgeven van de corona regels een mooi gecomprimeerd zomerblok kunnen rijden. 4 wedstrijden, in een week of 2. Ik was in de gelukkige omstandigheid dat ik ze allemaal kon rijden, en na 3 van de 4 wedstrijden ook nog aan de leiding stond van het Zomerblok, gevolgd door Ruud, Christiaan en Bernard. Van de wedstrijd die ik had gewonnen heeft Ruud al een verslag geschreven, onder de titel “Domste rijder”. Ik werd na deze wedstrijd veelvuldig geprezen dat ik slim had gereden. Schijnbaar als je wint is dat per definitie “slim”. Daar zit wel wat in… Maar het zette mij ook aan het denken waar slimheid bij een renner zit. Naar aanleiding van deze wedstrijd moet ik zeggen dat de kleur van de spiervezels dan meer leidend is dan de cognitieve vaardigheden van het brein. Ik had die dag de groep rondgekeken, en met de snelle mannen als Joop en Hugo tegenwoordig bij de A, bij afwezigheid van Bernard en de huidige vorm van Tim had ik het gevoel dat ik wel de snelste van het peloton was. En als je dan dus de meeste (rode) sprintvezels in de benen hebt wordt slim rijden heel eenvoudig. Je hoeft alleen nog maar te zorgen dat de hardrijders die minder explosief zijn niet meer wegkomen. Zij daarentegen moeten de meest slimme strategieën ontwikkelen om weg te komen, of zoals Ruud, continue blijven aanvallen. Want samen naar de finish rijden met een snellere sprinter wordt al snel als “dom” gezien. Maar we weten allemaal hoeveel moeilijker het is weg te komen dan simpelweg te volgen. Dus mijn conclusie, rijders met sprintvezels hebben aanzienlijk minder hersenen nodig!

 

De leidende uitgangspositie gaf mij meer stress dan ik vooraf had verwacht. Ik heb nooit enige kans gemaakt in een klassement bij de Trappist. Meestal door gewoon niet goed genoeg te rijden, maar ook door regelmatige buitenland reizen voor mijn werk waardoor ik teveel wedstrijden mis. En achteraf misschien ook wel door “dom rijden”, een alles of niets mentaliteit gestuurd door emotie. Extra stress kreeg ik van de discussies van Marlin en Ruud over de domste rijder. In een koers een keer dom rijden is één, maar een klassement uit je handen laten glijden door doldriest rijden terwijl je er zo goed voor staat, dat zou mij wel de domste rijder van de Trappist maken. Ik zag de lachende gezichten al...

 

Bij de start was ik in gedachten verzonken hoe ik de wedstrijd moest aanpakken. Ruud was op vakantie, dus ik had af te rekenen met Christiaan en Bernard. Maar bij de start hoorde ik dat Bernard ook was verhinderd. Dat maakte dat ik vooral op Christiaan moest letten. Het mooie van koersen is dat het heel intuïtief is. Ruud noemt het Ongebreidelde Hysterie, ik noem het het reptielenbrein, het oudste gedeelte van het menselijk brein wat in stress situatie regelmatig controle neemt. Het is intuïtief, gestuurd op emotie, korte termijn genot en, belangrijk, met een heel slecht geheugen. In het normale leven moet ie stil zijn en worden wij mensen, en ook ik,  geacht wijze dingen te doen. In een koers daarentegen wissel ik continue tussen wijsheid en het reptielenbrein. Midden in een koers hard op kop rijden geeft direct genot omdat je denkt andere pijn te doen (macht!), maar achteraf meestal spijt. En brengt me in rare situaties, rij ik ineens alleen voor het peloton waar ik 10 seconde daarvoor nog zeker wist dat ik zou wachten tot de laatste ronde. Soms blijkt dat geniaal te zijn, meestal dom. Maar toen het startsignaal werd gegeven sprak ik met mijzelf af dat vandaag het reptielenbrein in zijn hok moest blijven, ik moest met verstand rijden.

 

Tijdens de koers maande ik mezelf rustig te blijven, slechts twee keer nam het reptielenbrein over. Een stilvallend peloton met ruimte om te demarreren blijft tot kortsluiting leiden. In de beginfase reed ik met Theo en Eric weg. We kregen even wat ruimte, maar niet lang. Ik voelde me minder sterk dan anders, durfde ik door dat klassement niet tot de bodem te gaan?  Mijn gedachten gingen terug naar de eerste koers van het seizoen, waar we op 500 meter van de streep werden teruggepakt en er dus nog 6 man als een TGV over ons heen kwamen denderen. Dat mocht nu niet gebeuren. In de eindfase viel het weer stil en ik zat achterin, op links was alle ruimte. Het reptiel nam onverbiddelijk over en met een harde demarrage reed ik weg en had in één keer een groot gat. We moesten nog 4 ronden, zodra ik voorop reed realiseerde ik me dat ik dit niet alleen ging redden. Achter mij kwam Theo al weer opzetten, ik heb even gewacht en samen reden we verder. Maar ook deze poging was niet gegund door het peloton.

 

Toen vingen de laatste drie ronden aan en zoals Ruud had geschreven, vanaf dat moment moet je je verstand erbij houden als je voor een klassement wil gaan. Ik maakte mij zorgen dat de koers niet heel hard was geweest We misten Bernard, Olav en Ruud, die in eerdere koersen het peloton geselde met versnellingen en kopwerk. Nu viel de koers vaak stil, en iedereen was dus nog fris. Het peloton was ook groter dan eerdere weken. Deze combinatie kon voor gedrang zorgen in de laatste kilometer en dus risico op ingesloten raken. Of erger. Wat was nu slim? Of in ieder geval niet dom? Op ongeveer twee ronden werd er voorin weer versneld. Het reptielenbrein zag het gevaar en ik ging instinctief op de pedalen staan om aansluiting te zoeken, maar al versnellend nam wijsheid over. Ik zag 5 rijders voor mij die niet in het klassement meededen. Onder hen Niels, een maatje in ons fietsgroepje die we normaal gesproken wel op een boodschap konden sturen. Als zij weg bleven was ik winnaar van het zomerblok en Niels had voor de koers al aangegeven in goede vorm te zijn. Ik besloot de benen stil te houden, er waren nog zeker 15 anderen die dit klusje ook wel konden klaren. Maar de rest bleef in mijn wiel hangen, normaal slim, iedere andere koers had ik aansluiting gezocht. Maar nu dus dom! Op kop toerend zag ik het groepje langzaam kleiner worden. Ondanks dat het reptiel in mijn hoofd bleef kermen dat ik echt nog wel kon oversteken, zei het verstand dat iedereen dan meekwam in mijn wiel, en zo niet, de kans op een chasse patat ook reëel was. Dus ik wachtte, er moest een moment komen dat Christiaan zou proberen over te steken, de enige kans die hij nog had om het klassement en/of de koers te winnen. Maar Christiaan kwam niet. Eric wel, geen probleem, hij stak succesvol over. Als de groep nu wegbleef was het zomerblok verzekerd. Zo niet had ik mijn kruit in ieder geval nog droog. Ik denk dat dit slim was, maar het reptiel protesteerde hard in mijn hoofd.

 

Schijnbaar had de rest van het peloton ook vrede met de kopgroep, want alleen Theo en Eric deden nog een poging iets goed te maken, maar kregen daar geen steun in. Theo riep nog naar me dat als we niets deden ze weg waren. Dat klopte, maar ik hield mij aan de wielerwijsheid “rijd nooit een gat dicht dat je zelf hebt laten vallen”. De laatste kilometer was wel duidelijk dat de kopgroep de prijzen ging verdelen. Om gedrang te voorkomen nam ik het initiatief in de sprint, met Christiaan in mijn wiel. Ik ging van ver aan. Na de bocht zag ik dat ik een redelijk gat had op Christiaan en het peloton daar al ver achter zat. Ik stopte vroeg, dacht de sprint van het peloton wel te hebben gewonnen, maar Christiaan piepte ‘m op de streep nog juist onderdoor. Onderschatting, toch nog net even dom, maar liever nu dan zoals vorige week bij een sprint om de eerste plek. Het zomerblok was binnen, voor het eerst een klassement gewonnen bij de Trappist! Ik hoorde dat Niels in een zinderende sprint van de kopgroep nipt gewonnen had van Erik, mooi gelopen dus zo!

 

En nu een dag verder denk ik nog steeds met verstand de goede dingen te hebben gedaan. Maar ik concludeer ook dat “met verstand rijden” de koers niet leuker maakt, maar ontbijtkoek maakt veel goed!. Volgende keer er dus gewoon weer heerlijk invliegen!