Zo breed dat zelfs Hannibal met zijn olifanten kan keren

door: JanMaarten Deurvorst (B-renner en initiatiefnemer 40 km TT)



Waarom een tijdrit van boven de veertig kilometer bij FC Trappist? Dat lijkt me logisch. Er zijn drie soorten spieren. De malevenetische, de biorecticale en de psardonische. De meesten van jullie zullen daar wel bekend mee zijn. Laat die afzonderlijke spierbundels nou precies tot hun recht komen bij de verschillende afstanden. We hadden de ultrakorte proloog van 3.5 km. Voor mij, met gebrek aan malavenetische vezels niet echt…..

Neen dit is onzin. Sorry. Ik weet er de ballen van. Wel weet ik die 3.5 km aan het begin van het seizoen en bij het omnium haat. Maar waar dat nou aan ligt? Het vergaat me altijd hetzelfde. Na de start zet ik even lekker aan en zie dan tot mijn verbazing de meest waanzinnige getallen op het display van mijn fietscomputertje verschijnen. Ver in de veertig. Lekker Deur. Maar diezelfde Deur rijdt vervolgens tegen een muur op. Een even figuurlijke als harde muur. Ik plafoneer. De snelheid zakt naar rond de dertig en het duurt een kilometer voor ik hersteld ben. Dat is vlak voor de meet. U wordt bedankt met uw kloteproloog. Weer dertiende. Aan alle kant zijn mijn geliefde mederenners er als de kippen bij om te zeggen: jeetje heb je de mooiste fiets van het peloton en dan zo’n tijd. Ik mompel dan iets onverstaanbaars. Ik weet zelf ook niet wat ik zeg. En hoop dat het moment snel voorbij gaat.

 


Ja, we hebben wat tijdrit-raspaardjes bij de FC. Mike, Jack, Peter, Marlin, de gebroeders Van Straten, Bernard, Mart, Eelco, Joop, Pim, Jelle (dankzij wie ik de afgelopen koppeltijdrit won) Marthijn. En dan vergeet ik er nog heel wat van de nieuwe lichting. Maar toch, mag je ze wel zo noemen?

Bij de Trappist wordt de tijdritbeker uitgereikt aan de renner die over drie afstanden: de individuele proloog van 3.5 km, de individuele van 20 (langs het Amsterdam Rijnkanaal) en de koppeltijdrit van 25 gemiddeld het beste scoort. Je bent dan de beste tijdrijder van de Trappist. Maar klopt dat wel?

De eerste afstand; de 3.5. Dat is eigenlijk geen tijdrit maar meer een verlengde sprint. Moeilijk genoeg. Maar om dat nou een tijdrit te noemen. De koppeltijdrit is dat ook niet echt. Dat is meer een lofzang op goede samenwerking. Mooie discipline. Maar je kan de helft van de tijd in het wiel zitten van je koppelgenoot. Van indelen is nauwelijks sprake. Zelfs de 20 kilometer vind ik te kort.

Een tijdrit gaat om indelen. Je moet totaal kapot over de finish komen met lange witte draden van kwijl en snot. Als je niet total-loss over de meet komt, heb je iets verkeerd gedaan. Dan heb je niet het maximum eruit gehaald.

Maar het kapotrijden moet toch heel precies geschieden. Als je te vroeg te veel geeft, ben je halverwege al kapot. Daar herstel je niet meer van. Een mooie tijd kun je op je buik schrijven.

Wie te bang is voor het kapot gaan en juist te veel spaart, die rijdt nog slechter. En wie het gevoel, de kadans, niet vindt, is ook kansloos.

Dat is het spanningsveld van een tijdrit.

Bij de 3.5 km bestaat die niet, maar bij de 20 eigenlijk ook niet echt. Over 20 kilometer kan je over het algemeen gewoon full speed fietsen. Sparen is niet echt nodig. Het is zo voorbij. Het is 20 kilometer lang beuken.

 


Die 40.6 kilometer was een idee van mij. De wedstrijdcommissie ging schoorvoetend akkoord. “Als het maar niet zo’n puinhoop wordt als de koppeltijdrit langs het Gooi- en het Eemmeer”, hoorde ik. Die had ik eerder georganiseerd. Daarbij had ik het keerpunt Theo Termaat op een verkeerde plek gezet: ergens in the middle of nowhere in de lege polder. Ik had op dat moment wat prive-sores waar ik je verder niet mee zal vermoeien maar die over alles behalve tijdrijden gingen tenzij je een relatie als de ultieme tijdrit zit, ja shit, dat klopt ook wel,is dat niet ook een kwestie van sparen en op de lange adem gaan en de goede concentratie. En indelen. Zodat je later nog wat over hebt. Ja.

Ook verzuimde ik het door die sores, overigens gaat het nou weer erg lekker met me, bedankt, een intro-praatje te houden. De renners wisten totaal niet waar ze aan toe waren en doolden als mieren door het landschap.

Ik geloof dat iedereen ergens anders keerde. Een zooitje. Uiteindelijk zijn alleen Marlin en Jan Repko aangekomen bij een verbouwereerde Theo. Marlin heeft soms nachtmerries dat hij er nog staat.

Ik reed met Jack van Honschoten. En we reden op het segment dat ik in mijn hoofd had, tussen Almere Haven tot het einde van de gekleurde molens het snelst. Ik wilde ons nog tot winnaar uitroepen maar gelukkig stak de rest van het deelnemersveld plus Manja daar een stokje voor. Had ik al sorry gezegd?

 


Dit keer zou ik niets aan het toeval overlaten. Al in oktober vorig jaar ging ik op zoek naar een mooi keerpunt. Ik ontdekte, toen ik een keer naar een radio-montage in Utrecht fietste, dat je tot station Maarssen zonder onderbrekingen door kon fietsen. Niet voor niets heet dit een fietssnelweg. Het is 20 kilometer fietspad; zonder kruising van betekenis of stoplicht. De ENFB, wie fietst moet daar lid van worden, heeft dat met veel bombarie aangekondigd maar nergens een bordje erover en niemand weet het. De weg is ook makkelijk te vinden. Je kan bijna niet verkeerd rijden.

 


Ik vond ook een keerpunt dat bijna voor ons leek aangelegd. Zo breed dat zelfs Hannibal met zijn olifanten kan keren. Dat heeft ook wel een verklaring. Ten zuiden van het keerpunt ligt een industrieterrein. De vrachtwagens mogen het fietspad niet op en moeten dus hier kunnen draaien. Kan niet beter.

 


Twee weken voor de tijdrit nog even een fietsvakantie in Spanje met Joost, Djoen, Jan Repko, Klaas, Ricardo en Jaap. Ook heb ik het traject de zaterdag voor de tijdrit nog een keer gecheckt. Lag er prima bij. Allleen het asfalt wordt elk jaar beroerder. Maar dat is een nadeel voor iedereen. De weken ervoor ook flink aan mijn relatie gewerkt zodat ik spik en span aan de start een helder praatje kon houden. Niets kon meer misgaan.

 


Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik had het die zaterdag daarvoor ook al gemerkt. Dit viel behoorlijk tegen. Bij mijn generale repetitie zat ik er bij station Maarssen, halverwege dus, al doorheen. Ik kon niet meer. En heb toen een kwartier gerust. Zo kon ik wat foto’s maken van het keerpunt en de brug die ervoor ligt. De conclusie was duidelijk: je kan niet meteen voluit gaan. Een prof kan dat. Voor ons is het te ver.

En dat maakt het mooi. Dat maakt het spannend. Je opbouw moet perfect zijn.

 


Ik dacht ervan geleerd te hebben. Maar bij de tijdrit zelf maakte ik een andere fout. Ik was zo bevreesd voor de afstand dat ik te voorzichtig was. Ik leed. Ja dat wel, maar ik leed niet genoeg. Ik had mezelf meer pijn kunnen doen. Dat merkte ik pas toen de brug van Driemond al in zicht was en ik merkte dat ik best wel twee kilometer harder kon fietsen. Op straffe van pijn en bijna bezwijken, maar dat is goed voor een mens.

Ik heb nog wel even de methode Kneteman geprobeerd. Die kon niet tijdrijden, maar toch verging het hem telkens best goed af. Wat hij deed? Hij zocht steeds een boom uit een paar honderd meter verderop en daar sprintte hij dan heen. Eenmaal daar aan gekomen zei hij tegen zichzelf: “oh neen, die was het toch niet. Volgende boom.” En zo de hele tijdrit lang. Maar ook dat mocht niet meer baten. Ik had een gemiddelde van 38.5 denk ik, maar dat was wel twee minuten langzamer dan Mart. En meer dan een minuut op Marlin die een maand niet had kunnen fietsen. Dus heel blij was ik toch niet.

Ja ik had de bloemen. Maar er waren maar twee andere B’s: Evert en Peter Turk. Goede renners, maar bepaald geen tijdrijders.

 


Gelukkig waren er wel tien A rijders. Al met al een wat schrale opkomst.

 


Achteraf kreeg ik veel positieve reacties. Mart, die toch al overmoedig was geworden door de mokerslag die hij uitdeelde aan mij, vond het ineens helemaal top. Eelco ging er zondag weer een doen van 40 kilometer en Marlin en Ard van Straten vonden het meevallen. Heen was het wind mee, maar terug konden ze toch ook nog lekker draaien.

 


Ik pleit er dus voor om deze afstand te bewaren. Maar hoop echt op een betere opkomst bij de B. Als je dit kan, kan je elke tijdrit!

Dus tijdrijders aller lande en vooral van de Trappist, kom volgend jaar alsjeblieft in wat grotere getale. Dit is de Tijdrit der Trappist-tijdritten. De rest telt eigenlijk niet.

En neen, langer wordt ie echt niet. Ook op de 80 kilometer ga ik niet van Mart winnen. Hij heeft gewoon meer psardonische vezels dan ik.