De sprinterstrein

door: Ruud van Straten

 

De sprinterstrein, bij de meeste bekend als het treintje, gevuld met knechten, dat de laatste kilometers van een etappe hard op kop rijdt om het peloton bij elkaar te houden of te krijgen (bij een kopgroep). Woensdagavond 30 juni kreeg de sprinterstrein echter een heel andere betekenis.

Een met motregen gevulde avond, nat wegdek, veel slakken, gladde bochten en een klein peloton B rijders. De ingrediënten voor een lekker avondje koers bij FC Trappist. Ik houd niet van dit weertype, maar ik rijd er wel altijd goed op. Dus stond ik met gemengde gevoelens aan de start. Dubbel gemengde gevoelens, want voor de start hielden we eerst een minuut stilte ter nagedachtenis aan Thomas van Oosten, de zoon van Piet. Een mooi moment met een hele trieste aanleiding. Heel fijndat er bij Trappist ruimte is voor dit soort momenten.

 

 

En dan gaan we van start. Wim had nog terloops gevraagd of we dit keer de eerste (halve) ronde rustig aan konden doen. Een bericht dat Jan Maarten niet had bereikt, want die begon gelijk het tempo stevig op te voeren. Het peloton bestond grofweg uit een paar puncheurs (Niels, Jan Maarten, Johan en ikzelf) en een overtal aan sprinters (Evert, Joost, Tim, Peter, Eric, Bas en Johan, ja weer Johan, die man kan alles). Er ontspon zich dan ook een strijd tussen de puncheurs die alleen of in een klein groepje richting finish wilden en de sprinters die er de voorkeur aan gaven om met een volledig gesloten pak de laatste bocht in te vliegen.

 

 

Dit bleek een ongelijke strijd, want de sprinters werkten verrassend goed samen. De afwezigheid van Bernard gaf de sprinters begrijpelijkerwijs hoop op een overwinning. Elke uitlooppoging werd dan ook snel geneutraliseerd. Tot, met nog 4 ronden te gaan, een drietal wegreed. De ontembare Jan Maarten, Johan de alleskunner en Eric ‘Zabel’ van Steijn waren de gelukkige avonturiers. Of, als ik heel eerlijk moet zijn, ik liet het gaatje met deze mannen vallen, omdat ik de sprinters nog wat extra werk wilde bezorgen. Vervolgens ben ik in het op een na laatste wiel gaan zitten om de koers vanuit mijn luie stoel te bekijken. Af en toe vrolijk en ontspannen lachend naar de man in het laatste wiel, Peter Turk.

 

Vanuit die luie stoel kon ik duidelijk zien dat de sprinters een berekende achtervolging reden. Het leek erop dat de kopgroep in de laatste ronde ingelopen moest worden. En daar, op dat moment, zag ik het gebeuren. De nieuwe definitie van sprinterstrein. ~ De sprinterstrein ~  “een treintje, gevuld met sprinters, die de laatste kilometers van een etappe hard op kop rijden om het peloton bij elkaar te houden of te krijgen (bij een kopgroep) zodat de puncheur in het op een na laatste wiel er in de laatste ronde tussen uit kan knijpen.”

 

Op dat moment schoot mij ook nog even een herinnering door het hoofd over de domste renner. Ik schaar mijzelf vol trots onder die geuzennaam. Domste renners hebben naar mijn idee het leukste leven. Het zijn genieters, niet belemmerd door angst of prestatiedruk, soms zijn ze ook een beetje, ehhh, gek, onbezonnen? Ik denk dat veel van de collega B’s mijn strijdwijze niet altijd snappen. Tot een paar weken terug kon ik nog zeggen dat het te maken had met een groter plan, om mijzelf of mijn broer aan de overwinning te helpen. Ard rijdt inmiddels bij de A, dus dat verhaal kan ik niet meer vertellen. En eigenlijk beviel het in die luie stoel ook wel goed. Mijn hartslag daalde onder een geruststellende 140 slagen per minuut, ik kon ontspannen om mij heen kijken, en zelfs een beetje geinen met peter. Het leven als slimme renner begon mij steeds meer te bevallen, wat een luxe!

 

Maar genoeg getrut, de laatste ronde zat eraan te komen en de koplopers waren tot op 30 meter genaderd. Tijd voor actie! Ik kon mijn sprinterstrein toch niet teleurstellen nu het erop aan kwam. Ik liet richting bel een klein gaatje vallen en zette vol overgave aan. Het treintje reed rechts van de weg, ik stoof er op links voorbij. Ik keek nog even achterom om te kijken of Peter nog in mijn wiel hing, maar die was in het peloton achtergebleven. Nu was het zaak om een volledige ronde vol gas te geven. En natuurlijk nog de drie koplopers te verschalken. Die waren voor de eerste bocht aan de beurt, erop en erover. Ik deed er nog een extra dotje gas bij om ze flink te ontmoedigen een poging te wagen in mijn wiel te springen. Aan het begin van de avond was het nat en vies, maar redelijk windstil. Maar nu, in die eenzame en pijnlijke laatste ronde, voelde ik dat er ook nog een gemeen windje was komen opzetten. Vooral de tegenwindse stukken moest ik de snelheid boven de 40 zien te houden, dan had ik een kans. Hoe vaak was een dergelijke poging van mij niet in de laatste meters gestrand. Maar in die wedstrijden had ik mij de gehele race voorin, of vooruit, laten zien. Nu had ik mij gespaard. En dat merkte ik, de pedalen bleven redelijk soepel draaien, de snelheid bleef hoog en de groep achter mij naderde nauwelijks. Eindelijk, na meer dan 2 jaar, mocht ik weer eens als eerste over de meet rijden. Wat een heerlijk gevoel! Achter mij bleken Eric, Johan en Peter de snelste van de pelotonsprint. Jan Maarten kreeg geheel terecht de prijs voor de doms…, eh, strijdlust! En de sprinterstrein, ja die bleek teveel met zijn krachten gesmeten te hebben voor de overgebleven ereplaatsen. Bedankt mannen, het was een onvergetelijke en leerzame avond.